Homo Universalis

Onder deze titel publiceerde Klaas van Egmond, oud hoogleraar milieukunde aan de universiteit Utrecht, in 2019 een boek dat een moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance wil zijn. Het is een uitdagend boek met een brede benadering van de laatste duizend jaar van de Europese geschiedenis met de Vitruvius man van Leonardo da Vinci als de centrale figuur om aan te geven dat we het midden moeten houden tussen alle uitersten en extremen. De leer van de oude Griekse wijsgeer Aristoteles, vooral zijn deugden-ethiek, gebruikt hij daarbij als leidraad tezamen met de hermetische filosofie van de Rozenkruisers. Dat levert in de eerste vier hoofdstukken een klassiek beeld van de homo universalis op zoals dat ten tijde van de Renaissance ook oplichtte. In de negen hoofdstukken die daarop volgen schetst Klaas van Egmond vanuit dat beeld interessante perspectieven ten aanzien van globalisering, democratie en de nationale staat, maar ook wat betreft de economie en het financiële bestel. Als milieudeskundige gaat hij in op de ecologie, het milieuvraagstuk, migratie en integratie en wat dat betekent voor Europa.  De oorzaak van de vele problemen ligt in zijn ogen voor een belangrijk deel in de fragmentatie van het maatschappelijk waardepatroon. ‘Nieuwe sociale klassen groeien qua waardepatronen uit elkaar, worden eenzijdig en verworden tot hun eigen karikatuur. Daardoor valt het algemene mensbeeld uit elkaar en kan het midden geen stand houden.’ (blz. 214)  Daarom stelt hij het algemene mensbeeld van de homo universalis centraal  als moreel kompas.

Met verve wordt Aristoteles opgevoerd om het gulden midden, het evenwicht van de homo universalis te bepleiten. Maar daarom juist is het voor mij echt onbegrijpelijk dat de auteur naast aandacht voor Leonardo da Vinci en de Renaissance, het grote genie uit de Middeleeuwen niet vermeldt, Thomas van Aquino die als eerste in Europa aan de hand van Aristoteles en Plato  de homo universalis als de christelijke mens vorm geeft. In zijn  Summa Theologica krijgt de christelijke en katholieke leer zijn ultieme gestalte zozeer dat tot aan het einde van de twintigste eeuw (en misschien nog steeds) het thomisme als de officiële leer van de Katholieke Kerk wordt beschouwd. Klaas van Egmond laat in zijn boek merken weinig op te hebben met de katholieke kerk. Dat verklaart waarschijnlijk zijn blinde vlekken. Zo laat hij pas na de verovering van Constantinopel in 1453 de filosofie van Plato, Aristoteles en Hermes Trismegistus ontdekken door de gevluchte Intellectuelen in Europa die grote moeite hadden met het intolerante katholicisme (blz. 17).  Maar het waren de islamitische wijsgeren Avicenna en Averroës die in de 11de en 12de eeuw het gedachtegoed van Aristoteles al hadden vertaald en bekend gemaakt waar Thomas van Aquino en Albertus de Grote (die doctor universalis werd genoemd) in de 13de eeuw uitstekend gebruik van maakten. De Middeleeuwen waren trouwens niet van die donkere en achterlijke tijden zoals velen denken. De oude teksten van Grieken, Romeinen, Joden en Christenen konden bijvoorbeeld door de intellectuele elite op drie manieren worden gelezen. Dat kon vanuit de sensus literalis, de letterlijke betekenis van wat er stond, maar ook met de sensus plenior; dan las men de tekst in breder verband, niet letterlijk. Daarnaast lag er de mogelijkheid van sensus spiritualis. Dat betekende dat men meer oog had voor de allegorie, voor de poëzie en men de geestelijke betekenis benadrukte, iets wat Rozenkruisers, Kabbalisten en mystici meer deden. Thomas was meer dan een schriftgeleerde. Hij was een eminent geleerde die bijvoorbeeld ook uitvoerig inging op het hylemorfisme van Aristoteles. Ook ontwikkelde hij de katholieke deugdenleer a la Aristoteles.

Klaas heeft het niet zo met de R.K. Kerk en realiseert zich m.i. onvoldoende dat het tot de elfde of twaalfde eeuw  keizers en koningen waren (de Staat dus) die de lakens uitdeelden. Het waren geen pauzen en bisschoppen die concilies bijeenriepen (Constantijn was in het jaar 325 de eerste die daarmee begon en had daar ook veel belang bij), maar steeds de politieke machthebbers. (Lees het boekje van prof. Peter Raeds: De uitvinding van de rooms-katholieke kerk.)

Luther en Erasmus waren vooral schriftgeleerden die zich verzetten tegen het domme gedoe van de toenmalige kerkelijke leiders. Luther was in staat om de hele Bijbel in het Duits te vertalen en  kon daarmee op de vele gegroeide mistoestanden wijzen. Overigens beperkte hij zich tot de sensus literalis en bracht hij met “alleen het woord” de godsdienst terug tot letterlijke teksten. Erasmus toonde aan dat de officiële bijbeltekst van de (Latijnse) Vulgaat talrijke fouten bevatte omdat die verkeerd was vertaald vanuit de Griekse Septuagint.

 

Een tweede figuur die ik bij de Homo Universalis erg mis en die de auteur ook helemaal niet noemt is G.W. Hegel die aan het begin van de negentiende eeuw  een andere benadering van geschiedenis naar voren brengt (o.a. in zijn Phaenomenologie des Geistes) welke behoorlijk verschilt van die van Aristoteles, Thomas en dus ook Klaas van Egmond. Hegel schetst dat er ontwikkeling is en dat die kan verlopen van these naar antithese tot synthese. Een kind adoreert zijn vader als ie drie is (these), maar in de puberteit kan hij zijn vader vervloeken (antithese) en vervolgens is het mogelijk dat hij these en antithese overstijgt, opheft en in een andere ontwikkelingsfase terecht komt. Maar zegt Hegel een synthese bereik je slechts door dialectiek. Anders blijf je in een antithetische ontwikkeling steken, blijf je op het zelfde niveau als dat van de beide tegenstellingen en is er weinig of geen ontwikkeling. Zo gaat dat met alles in de geschiedenis. Iedere stellingname, iedere periode, iedere ontwikkeling roept haar eigen tegenstelling of tegenpool op. Als de tegenstellingen niet via dialectiek worden opgeheven, blijft men in de antithese steken of valt men terug in de eerdere these. Dan blijft men in hetzelfde ontwikkelingsniveau zitten. Ook als men probeert het midden tussen de tegenstellingen te zoeken, het evenwicht of de  vrede tussen these en antithese te bereiken, dan blijft men op datzelfde niveau. Dat is wat bij de homo universalis gebeurt. Hegel bepleit de tegenstelling op te heffen en dat gebeurt via dialectiek. Dat brengt echte ontwikkeling en verandering teweeg. De synthese groeit later weer uit tot een these die een antithese oproept. Zo kan  het ontwikkelingsproces verdergaan.

Dialectiek is misschien wel het moeilijkste woord van heel de filosofie. Vaak is het de aha Erlebnis, het kwartje dat valt, het in een moment echt zien. De geschiedenis verloopt veelal antithetisch. We blijven gemakkelijk zitten in de antithese of vallen terug naar de these. Ik heb de indruk dat er heden ten dage weinig van dialectiek sprake is. Tegenstellingen graven zich in en het is al mooi als er naar een compromis of een middenweg wordt gezocht.

Dialectiek, ontwikkeling en echte verandering maken duidelijk dat alles kan veranderen, ook het mensbeeld en de waarheid. Niets blijft hetzelfde, ook de menselijke maat niet. Na Hegel is het moeilijk om de geschiedenis nog te benaderen zoals de oude Grieken en de mensen uit de Renaissance dat deden. Ook na Hegel is er verandering en blijft niets hetzelfde. Het was een eminente leerling van Hegel, Karl Marx, die afstand nam van het algemene en aangaf dat bij alles de context essentieel is. Het was Marx die na het dialectisch Geistliche van Hegel de antithese van het dialectisch materialisme verwoordde en hoopte daarmee tot een synthese te komen en een grote verandering in de geschiedenis te bewerkstelligen. Maar dan dienen de tegenstellingen echt te worden overwonnen, opgeheven.

 

Aan de hand van Aristoteles  kopieert Klaas van Egmond bijna het werk van Thomas van Aquino, zij het in een andere tijd en met uitzondering van het middeleeuwse christendom. Ook gebruikt hij de algemene en abstracte benadering van de klassieke filosofie, heeft hij weinig oog voor de altijd zich veranderende context en hanteert hij een oude geschiedenis-opvatting (zelfs Petrarca zou zich verbazen). Toch ben ik onder de indruk van  het tweede deel van zijn boek waarin hij verrassende mogelijkheden schetst en met zijn brede insteek (dat op zich al een verdienste is) nieuwe perspectieven aanreikt die men niet zomaar naast zich neerlegt. Daarmee geeft hij huiswerk aan zijn criticasters en al degenen die zich inzetten om de hedendaagse problemen aan te pakken, om te redden wat er te redden valt en onze wereld leefbaar te houden.

 

december 2019

Piet Winkelaar

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*