Toverende taal

Met geluiden, klanken, gebaren en gedrag maken we contact met anderen zoals de meeste levende wezens op deze wereld dat doen. Ieder geluid, iedere klank en iedere beweging  heeft een betekenis en daarmee wordt duidelijk wat wordt bedoeld. Wij vormen met de gemaakte geluiden woorden, zinnen en verhalen en noemen dat taal. Daarmee communiceren we zoals dieren, vogels en insecten dat doen, maar bij mensen ligt dit al veel complexer, want wij hebben een sterk geheugen en veel herinnering. Bovendien kunnen wij met onze lippen, onze neus en ons ademhalingscircuit heel veel geluiden en klanken maken. Daarmee vormen we geen twintig of honderd tekens om te communiceren maar kunnen we wel duizenden en zelfs tienduizenden signalen vormen en daarmee veel gedetailleerder aangeven wat nodig is en nodig kan zijn. Daardoor kunnen we ons communicatiesysteem geweldig uitbreiden en onze wensen en mogelijkheden vergroten. Dolfijnen en olifanten hebben bijvoorbeeld ook wel een goed geheugen en een sterke herinnering maar beschikken niet over zo zoveel gedetailleerde tekens en signalen en hebben navenant ook minder geheugen en herinnering. Wij kunnen praten. We stoten niet alleen maar geluiden en kreten uit, maar kunnen heel gedetailleerd verhalen, zinnen en woorden vormen en over van alles en nog wat praten, zelfs over dingen die we zelf nog nooit hebben waargenomen of hebben meegemaakt. Zoals apen de hele dag elkaar kunnen vlooien, zo kunnen wij de hele dag met elkaar praten. Het lijkt onze belangrijkste eigenschap.

Maar er is bij dit praten meer aan de hand, want die vele tekens en signalen waarmee we praten brengen we via geheugen en herinnering naar ons binnenste binnen. Daar veranderen de tekens en woorden in talige concepten en gedachten die een binnenwereld tot stand brengen. Die binnenwereld is heel bijzonder en we hebben er meestal de hele dag mee te maken. Meer dan bij de ons verwante dieren kunnen wij ons soms helemaal in die binnenwereld opsluiten. En wat we ook kunnen is vandaaruit de wereld veranderen of zelfs een andere wereld creëren. Dat gebeurt door de taalconcepten die iets betekenen, die naar iets verwijzen en die de verwijzing tegelijk present stellen (aanwezig laten zijn) in het teken of het aangeduide signaal. Daardoor laten we met de concepten en tekens van taal iets zien wat er niet is maar toch zichtbaar wordt en aanwezig lijkt te zijn. Dat is de toverende taal. Daarom kon een Fransman als Lacan in de vorige eeuw beweren dat het de woorden zijn die de dingen doen ontstaan want in de woorden zijn de dingen aanwezig terwijl ze er niet zijn. Door de talige tekens en de taalconcepten van onze binnenwereld raken we ervan overtuigd dat de woorden en opvattingen die we naar voren brengen niet alleen naar de werkelijkheid verwijzen maar ook de werkelijkheid vertegenwoordigen en lijken te creëren. Taal schept een realiteit en een illusie, maar het is deze taal die ons tot mensen maakt. De laatste honderd jaar beweren steeds meer filosofen als Bergson, Heidegger, Verhoeven dat de taal ons huis is, dat we wonen en leven in een huis van taal. Vandaaruit worden ook de meeste uitvindingen en ontdekkingen gedaan. Wat je zegt bent je zelf, leren we kinderen. Onze grote woorden en beweringen zijn zo waar en echt, dat we vergeten dat ze ook een illusie bevatten. Daar denken we amper over na want bij de meesten van ons ratelt het de hele dag door en kost het zelfs veel moeite woorden en gedachten stil te leggen.

Zo’n vijf duizend jaar geleden hebben wij mensen een geweldige uitvinding gedaan die onze taal nog meer toverkracht heeft gegeven. Dat was namelijk de uitvinding van het schrift. Dat gebeurde in Mesopotamië door het spijkerschrift en in Egypte door de ontdekking van hiërogliefen. Later ontstond ons alfabet en ontwikkelden vele culturen een eigen schrift.

In de millennia die volgden waren er maar betrekkelijk weinig mensen die konden lezen en schrijven, meestal nog geen 1% van de bevolking, een kleine elite die verhalen schreef, waarheid en wijsheid verkondigde en nadacht over de toekomst. Pas gedurende de laatste duizend jaar komen er steeds meer mensen die kunnen lezen en schrijven. En met grote gevolgen, want allereerst zorgde het schrift ervoor dat woorden, ideeën en opvattingen niet vervluchtigden en iets tijdelijks hielden, maar werden vastgelegd, bleven voortbestaan en bijna een eeuwigheidswaarde kregen. Op de tweede plaats kreeg de verwijzende taal in het schrift een grotere werkelijkheidswaarde. Vervolgens vergrootte en versterkte dit het menselijk voorstellings- en abstractievermogen en op de vierde plaats kon de ontwikkelde wijsheid en waarheid via teksten aan volgende generaties worden doorgegeven zodat we hierin voortaan op de schouders van de voorouders kunnen staan. Dit alles vermeerderde de kennis van de menselijke binnen- en buitenwereld, in eerste instantie van de elite maar later van de meeste bevolkingsgroepen. Het bracht een enorme ontwikkeling teweeg met talloze ontdekkingen en uitvindingen. De verbreding en versterking van onze toverende taal heeft ons allemaal meer mens gemaakt. De afstand tussen mens en dier is er groter door geworden. Soms denken we zelfs goden te zijn en vergeten we dat al die woorden, opvattingen, tekens en afbeeldingen ook onze illusies zijn.

 

 

maart 2021

Piet Winkelaar

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*