NICEA – of:  de dag dat het christendom stierf

| Geen reacties

NICEA – of:  de dag dat het christendom stierf

 

Nietzsche was van mening dat het christendom stierf met de kruisdood van de eerste en enige christen.

Interessante uitspraak!

Zelfs als die kruisdood nooit heeft plaatsgevonden, zelfs al zou het Jezusverhaal een fictie blijken, dan blijft toch nog de vraag bestaan over een fenomeen, waar niemand omheen kan: het christendom.

Wat is precies het christendom? En waar komt het eigenlijk vandaan?

Als ik de term ‘christendom’ hoor, dan denk ik onmiddellijk aan het woord ‘kerk’, alsof de ladingen van die twee woorden elkaar dekken. De twijfel die ik daar al jaren over heb, is aanleiding geworden om die vraag eens serieus te bekijken.

Het eerste, waarop ik een onbevooroordeeld antwoord moest zien te krijgen was: wat is ‘christendom’? De tweede vraag was: wat is ‘kerk’? En daaropvolgend: dekken die twee begrippen elkaar? Het is mijn bedoeling de lezer een antwoord te laten ‘proeven’  door uit de geschiedenis van de eerste paar eeuwen van onze jaartelling een aantal feiten, ontdekkingen naar voren te halen, die bij mij persoonlijk een bijna onuitwisbaar beeld hebben nagelaten, en die tot de thesis hebben geleid. zoals die verwoord is in de titel van dit essay .

Als centraal punt in mijn waarnemingen heb ik een belangrijk geacht officieel document gekozen: dat van het concilie van Nicea in 325.

Het concilie van Nicea was een kerkvergadering, in 325  bijeengeroepen door keizer Constantijn met onderdanige medewerking van een aantal gemijterde mannen, die men zonder de historie geweld aan te doen tegelijkertijd rijksambtenaren zou kunnen noemen. Sindsdien heb ik me niet meer kunnen ontdoen van de vraag: zou deze vergadering nu werkelijk de gebeurtenis zijn geweest, waardoor het christendom de doodsteek werd toegebracht en de katholieke kerk zou zijn gesticht onder voorzitterschap van een heidense keizer, Constantijn?

Na mijn onderzoek, waarvan ik de contouren gerapporteerd heb in deze thesis, ben ik persoonlijk tot de conclusie gekomen dat gedurende dit concilie een eeuwenoud christendom verworpen werd om plaats te maken voor een politiek-religieus  cultuurinstituut,  dat later de naam kreeg van katholieke kerk. Ik twijfel eraan of er nog veel serieuze onderzoekers zijn die geloven in de stelling dat een Christusfiguur de stichter is geweest van het fenomeen dat nu bekend staat als kerk.

Het feitenmateriaal, waarmee ik geconfronteerd werd heeft vorm gegeven aan mijn uiteindelijke stelling over de verwerping van het christendom. Voortdurend speelde: ‘dood’ van het christendom door mijn hoofd. Maar daar ben ik van terug gekomen. Want het christendom is niet dood.  Het heeft eeuwen lang een lijdend bestaan geleid,  maar is sinds jaren weer springlevend. Het mag echter niet geïdentificeerd worden met de katholieke kerk, of welke georganiseerde andere kerk dan ook.

Het is mijn bedoeling in dit pamflet deze  niet alledaagse stelling  enige vaste grond onder de voeten te geven.

 

Keizer Constantijn had zijn gemijterde onderdanen en hun kudden alle vrijheden kunnen ontnemen. Hij heeft dit niet gedaan, omdat ze hem ter wille zijn geweest.

De achtergrond van dit concilie leest bijna als een roman.

We zullen er in de loop van dit pamflet enkele relevante taferelen uitlichten.

Momenteel is enkel van belang aan te tekenen, dat dit het concilie is geweest van een credo, dat niet zonder geweld doorgedreven is door de voorzitter, de heidense keizer Constantijn. Hij heeft dat gedaan omwille van de eenheid van het rijk. Een politieke beslissing, waarna er in de loop der tijd nog duizenden andere zouden volgen.

Het is het concilie, dat de eenheid van het Romeinse rijk en het gezag van de keizer voor lange tijd heeft gewaarborgd en daarna dat van diens opvolgers: de pausen.

Dat credo was een aanhankelijkheidsverklaring, ingegeven door politiek-religieuze motieven.

Constantijn zou in geen dreven en streken te bekennen zijn geweest als er in dit concilie geen belangrijke, politieke belangen hadden gespeeld. Dit concilie is een tweesnijdend zwaard geweest met een scherpe punt. Een zwaard heeft niet alleen twee scherpe snijkanten, maar ook een dodelijke punt. Dit concilie had ze alle drie.

Eerstens werd hier afgerekend met de innerlijke, niet te stuiten drang naar gnosis van de mens, zoals die uitgedrukt werd in de eeuwenoude, tijdloze ‘Christos’-verhalen om, ten tweede, plaats te maken voor een laagdrempelig vlees-en-bloed-Jezusverhaal, met als dodelijke punt: het begin van de rooms-katholieke kerk – dit alles met het door Constantijn beoogde politieke effect van stabiliteit en eenheid van het keizerrijk. Reeds eeuwenlang bestond er een gnostische Christosmythe. Deze Christosmythe die, zoals blijkt uit de gnostische evangeliën, door de eerste christenen op bijzondere wijze werd ingevuld, heeft in dit concilie plaats moeten ruimen voor een Jezusverhaal, bestemd voor massa’s soldaten en andere Romeinen die van de ene dag op de andere gedoopt en zogenaamd christen werden en die nog lang niet toe waren aan enige vorm van spiritualiteit en christelijke gnosis, maar enkel in staat waren een concreet, voorspelbaar en gemakkelijk te visualiseren Jezusverhaal van vlees en bloed te begrijpen en te verteren.

Dit Jezusverhaal moest na Nicea op straffe van verbanning, (excommunicatie), aanvaard worden als historisch. Het doet hier weinig ter zake te vermelden dat uit onderzoeken in de negentiende en twintigste eeuw zou blijken dat er waarschijnlijk van dit Jezusverhaal historisch heel weinig schijnt te kloppen.

Dit concilie staat bekend als het ‘verzoeningsconcilie’.

Wat moest er zo nodig verzoend worden?

Het was in die tijd reeds min of meer algemeen aanvaard dat de mens tot in de kiem verdorven was, zondig tot in de kern. Dit scheen een algemeen aanvaarde, in alle geval aangeprate gedachte. Iedereen scheen overtuigd van zijn zondigheid.

We zullen zien waar die overtuiging vandaan kwam.

Eerst en vooral: wat was die zondigheid eigenlijk?

Zondigheid was een toestand, ten gevolge waarvan je niet in staat was de wetten gods, zoals die vervat waren in schrift en prediking, na te komen. Het was een toestand, het volk eeuwenlang genadeloos door profeten aangepraat. Het volk was tot in zijn ziel geconditioneerd, dat Jahwe voortdurend boos was en het voortdurend wilde straffen. Eeuwenlang was het volk van Israël door zijn profeten zodanig murw geconditioneerd, dat het geen moeite meer gekost heeft dit als de natuurlijke toestand van de mens te aanvaarden. De mens leefde dus voortdurend in onmin met god, zelfs al was hij zich daar niet van bewust. Dit hield ook in, dat hij na zijn dood nooit god zou zien en gelukkig zou zijn, wát dat ook allemaal mocht betekenen. Die overtuiging van zondigheid heeft een lange voorgeschiedenis gehad, waarop we zo dadelijk zullen terugkomen.

De mens was niet uit eigen kracht in staat die zondigheid en vijandschap met god op te heffen.

Welnu, dit concilie heeft bepaald dat de mens dat ook niet hóéfde te doen. Die Jezus, die door volgelingen tot gods zoon werd verklaard, werd door een deel van de bisschoppen van die tijd gezien als degene, door god gezonden om de ‘zondenlast’ van een heel mensdom op zich te nemen en aan god voldoening te geven.

Soms probeer ik nog wel eens na te gaan in welke gedachtekronkels ik me vroeger heb gewrongen om in een god te geloven, die steeds vertoornd was en verontwaardigd, omdat mensen hem beledigd hadden en dat hij geen genoegen nam met hun pogingen tot verzoening, maar dat hij ‘zijn zoon’  naar deze aarde had gezonden om als plaatsvervangend zoenoffer te dienen, waarna hij niet meer boos was op de mensen. Mijn hemel, denk ik vaak, hoe heb ik in ’s hemelsnaam deze onzin kunnen slikken? Mijn antwoord is eigenlijk heel simpel: Ik zat zo in een religieuze stammencultuur, waarin je kritiekloos het denken van de stam aannam dat het daadwerkelijk op slaap geleek. Ik sliep, ik nam alles maar aan, ik dacht niet, liet anderen voor me denken, die ook de producten waren van diezelfde stammencultuur en in dezelfde diepe slaap verkeerden als ikzelf. Het zou allemaal wel zo zijn zoals ze zeiden.’

Met boven vermeld  zoenoffer werd een aloude traditie voortgezet, de traditie van de zondebok, die in vroeger tijden de woestijn werd ingejaagd, beladen met de zonden van het volk. Die zondebok was nu het lam gods, de zoon van god.

Ik ben met stomheid geslagen, als ik bedenk dat ik ooit zo’n godsbeeld  heb kunnen aanhangen. Een god, die nu overkomt als een pathologisch geval, om medelijden mee te hebben, een god die naar de psychiater zou moeten.  Het enige dat de mens hoefde te doen om met die god verzoend te worden was: enkele feiten te aanvaarden, die door het concilie als onomstotelijk vaststaand werden gepresenteerd,  zoals de drievuldigheid, een altijd duister gebleven filosofische constructie: de maagdelijkheid van Maria, de lichamelijke verrijzenis en hemelvaart van Jezus. Dit alles werd vervat in een aanhankelijkheidsverklaring, die ‘credo’ werd genoemd. Op dit concilie werd bepaald dat de enige manier waarop de mens verzoend kon worden met god, was: dit credo te aanvaarden. Het lam gods, dat alle zonden van de mensheid op zich had geladen zou dan een verzoening met god bewerkstelligen . Zoals we in de loop van ons verhaal zullen ontdekken was het precies dit denken, dat lijnrecht tegenover de christelijke gnosis van de eerste eeuwen van het christendom stond. Wat was dit credo? Enkel een als historie gepresenteerd verhaal, dat op straffe van verbanning geloofd moest worden zijnde historische werkelijkheid. Met andere woorden, het had net zo goed het verhaal van Napoleon kunnen zijn. Hier werd geen leer gepresenteerd met eeuwigheidswaarde, geen levenswandel, geen nieuwe levensweg, maar enkel het domweg aanvaarden van een stukje geschiedenis, waarvan later uit onderzoeken is gebleken dat grote stukken van dit verhaal hoogstwaarschijnlijk ook nog fictie zijn geweest. Dit ‘historisch’ verhaal nu werd vastgelegd in een credo, het welbekende credo van de kerk, dat de meeste kerkgangers onderhand slapend kunnen reciteren.  Iets aantrekkelijkers om voor eeuwig gelukkig te worden is nagenoeg ondenkbaar.  Iets stompzinnigers bestond er gewoonweg niet. Wekt het verwondering dat zoiets de massa’s aansprak? Is het ook te verwonderen dat verwacht werd dat deze massa’s voor stabiliteit zouden zorgen?

Dit credo bestond uit de opsomming van een aantal veronderstelde historische feiten en drama’s.

Wat waren die ‘historische’ feiten?

Dat er een man had geleefd in Palestina met de naam Jezus.

Dat die geboren was uit een maagd.

Dat hij de zoon van de god van dit universum was,

een god, die zich manifesteerde in drie afzonderlijke functies, als vader, zoon en geest,

waarbij die man uit Galilea de belichaming van de zoon zou zijn geweest en dat deze Jezus als zondebok van het gehele menselijke geslacht dit laatste verlost en met de vader verzoend had en dat hij gestorven was aan een kruis

en dat hij na drie dagen uit het graf was opgestaan

en veertig dagen daarna de lucht was ingegaan.

Dit laatste werd Hemelvaart genoemd.

Die feiten, zo zeiden de keizer en zijn toegenegen bisschoppen, moest iedereen geloven, en als je dat deed, dan was je niet alleen een brave burger, maar kon je ook verlost worden door die zoon van god.

De vraag is nu: waar moest de mens eigenlijk van verlost worden? Dit maakt deel uit van een tragische voorgeschiedenis, die we zullen bespreken. Het antwoord op deze vraag zou binnen  honderd jaar na dit concilie op jammerlijke wijze ingevuld worden door een man, genaamd Augustinus, met zijn leer over de erfzonde. Verder zou volgens dit credo de mens aan het einde der tijden evenals die Jezus verrijzen met lichaam en ziel en voor eeuwig gelukkig zijn. Geloofde je dat niet, dan werd je niet verlost, en werd je voor eeuwig ongelukkig. Maar dat was niet alles. Eigenlijk ging het daar niet eens om. Verwierp iemand dat credo, dan was zo iemand een verrader van het rijk en moest hij ofwel sterven of zijn verdere leven in ballingschap doorbrengen.

Zoals we reeds gezegd hebben behoeft het geen betoog, dat het domweg aanvaarden van dit simpele geschiedkundig verhaal met die enorme consequenties een gretig onthaal kreeg bij de volksmassa’s. Hier was iedereen klaar voor. Het was een tweesnijdend zwaard. Het trok de massa aan vanwege het oerprimitieve en de aan magie grenzende eenvoud ervan en ten tweede zou het zorgen voor stabiliteit en eenheid. Constantijn heeft dit credo dan ook met geweld doorgedreven. Hij had er het grootste belang bij.

De eenheid van het rijk!!!???

Wat was het probleem?

De hellenistische wereld en het Romeinse rijk waren in die tijden namelijk een hutspot van filosofen en goeroes met verschillende leerstellingen en een mengelmoes van mysteriegodsdiensten van verscheiden pluimage. Zowel de gnostische als de pseudognostische adepten volgden ieder hun eigen, individuele weg, ongeacht ’s lands wetten en cultuur. Deze toestand  was soms zo chaotisch en werd zo bedreigend geacht voor de eenheid van het rijk, dat het zelfs op veel plaatsen verboden was voor filosofen en leraren in het publiek te spreken. Het vreemde volkje dat vanuit Palestina was komen overwaaien met ook weer zo’n leraar maakte slechts een klein deel uit van die menigte. Zoals gezegd was dit ook de tijd van de vele mysteriegodsdiensten, waarvan de Mithrasmysteries de belangrijkste en populairste waren. Deze leken zo verbijsterend veel op de veel latere christelijke eucharistievieringen, dat de kerkvaders een ingewikkelde theorie hebben moeten bedenken om dit verschijnsel te verklaren als het werk van de duivel, die zoiets bewerkstelligd zou hebben om de christenen in verwarring te brengen. Zo had de Mithrasmysteriedienst een eucharistieviering met brood en wijn, kaarsen, wierook, kniebuigingen, bellen en klokken en gebeden, enzovoort.

Constantijn zag dit hele, in tientallen richtingen verdeelde religiecircus als een bedreiging voor de eenheid en stabiliteit, en voor de Sol Invictus, waarvan hij de belichaming was.

Eeuwenlang voor de geboorte van Jezus bestond er reeds een aloude, over de hele beschaafde wereld verbreide Christusmythe met initiaties, die van de adepten een bepaalde spiritualiteit en inzicht vorderde, maar die, evenals in het hedendaags kerkgebeuren, het overgrote deel van een eenvoudig, ongeïnteresseerd volk niet kon opbrengen. De maximale innamecapaciteit was een letterlijk Jezusverhaal van vlees en bloed. Zo is de toestand in de katholieke kerk over het algemeen nog steeds. Wat deze mensen dus nodig hadden en konden begrijpen, was een Jezusverhaal van vlees en bloed dat echt gebeurd was en waar ze zich aan konden vasthouden en dat ze alleen maar hoefden te geloven, en verder hoefden ze alleen maar de wetten te onderhouden en proberen braaf te blijven. Welnu dit verhaal kregen ze bij decreet van de keizer en zijn getrouwen niet alleen toegeschoven, maar ook opgelegd. Ze kregen dat in het credo van Nicea, waaraan tot de dag van vandaag geen letter veranderd is.

Zoals we boven reeds geopperd hebben, was het eigenlijk voornamelijk een politiek geïnspireerd credo van een heiden. Geen prettige gedachte voor vrome christenen, die na de doop dat credo tijdens iedere eucharistieviering verplicht moeten uitspreken.

Na het concilie toog Constantijn tevreden huiswaarts. Daar aangekomen vermoordde hij zijn zoon Crispus, zijn vrouw Fausta, terwijl ze een bad nam, zijn zwager en nog enige anderen. Of dit wraakmoorden zijn geweest of politieke moorden, is nooit echt duidelijk geworden. Ze lagen wél in de lijn van de lange reeks van Constantijns misdaden tegen de menselijkheid, van moorden en wreedheden vooral tegen overwonnen stammen, waarvan hij de leiders aan de wilde beesten voerde. Constantijn was geen lieverd en dat kon in feite ook gezegd worden van de meeste Romeinse keizers. Later is er een tijd sprake van geweest om Constantijn heilig te verklaren, maar dat hebben de kerkvaders uiteindelijk toch niet aangedurfd. Zelf heeft Constantijn gewacht met zich te laten dopen tot op zijn sterfbed, om zich nog net te verzekeren van de hemel. Het doopsel vergaf immers alles wat je ooit misdaan had.

Al deze informatie doet voor de kern van ons verhaal eigenlijk niet ter zake, maar geeft wel een klein idee van het klimaat, waarin zich een en ander afgespeeld heeft.

Het enige dat van belang is hier te benadrukken is, dat dit concilie het authentieke christendom van de eerste drie eeuwen met zijn lange voorgeschiedenis monddood heeft gemaakt en dat het de geboorte  is geweest van een ‘instituut’,  een staatslichaam, dat in de toekomst bekend zou worden als ‘de katholieke kerk’, met al zijn latere vertakkingen, zoals we die nu nog kennen.

Het moge ook duidelijk zijn dat het de geboorte is geweest van  een politiek bestel, dat onterecht de titel christendom kreeg toebedeeld. Dat het een uitermate politiek bestel was blijkt, dunkt mij, uit de verdere geschiedenis van de katholieke kerk. Tot op heden een geschiedenis die doorregen is van machtsmisbruik, intriges, moord, oorlogen, onderdrukking, terreur en misdaden tegen de menselijkheid, in naam van god en ‘waarheid’ gepleegd. Dit soort christendom is het cultuurgoed geworden van de westerse wereld. Om te proeven hoe primitief en gewelddadig het was, hoeft men slechts te kijken naar het islamitische fundamentalisme, waarmee we hedentendage geconfronteerd worden.

Natuurlijk brengt een  politiek godsdienstig  bestel ook  zeer veel positieve, hoogstaande, hooggewaardeerde, verrukkelijke  cultuurgoederen voort en die mogen, zoals de geschiedenis leert, ook de  politiek gedreven  katholieke kerk niet ontzegd worden.

De vraag die eigenlijk opkomt en beantwoord moet worden, is:  wat was dan  eigenlijk dat christendom van vóór  Nicea, waarop Nicea een reactie was?

Onderzoeken van ruwweg de laatste honderdvijftig jaar hieromtrent  hebben geleid tot deels wonderlijke, deels verbijsterende resultaten. Voor degene die zich onbevangen en met een open geest van deze onderzoeken op de hoogte gaat stellen, zal de katholieke kerk en het christendom nooit meer hetzelfde zijn.

In het begin van onze jaartelling deden honderden evangeliën de ronde, zowel in Palestina als in de Hellenistische wereld rond de Middellandse Zee, met als middelpunt Alexandrië, als ook in de rest van het Romeinse rijk. Tallozen waren traditioneel Paulusmensen, talloze anderen waren Jezusmensen. Iedere gemeente had zijn eigen  aangepaste evangelie. In het begin van onze jaartelling kwam  overal in die wereld een bepaalde   spirituele stroming tot bloei, die later bekend zou worden als ‘gnosis’.  Deze  gnosis vond uitdrukking in de  eeuwenoude, eigenlijk sinds onheuglijke  tijden overgeleverde ‘Christos’-mythen.  Je komt sterk in de verleiding jezelf af te vragen, of  gnosis niet  een natuurdrang is die de mens is meegegeven met de genen en het bloed dat door zijn aderen stroomt.

Want wat is gnosis?

Gnosis is het Griekse woord voor ‘kennis’. Mettertijd begon deze term een heel bijzondere lading te dekken.

Gnosis was tegelijkertijd van de ene kant een opstand, een revolutie van de vrije mens tegen het slaafse, soms meedogenloze, maar altijd angstige groepsdenken binnen de stammencultuur, en van de andere kant de onweerstaanbare innerlijke drang van de mens tot vrije zelfbepaling en zelfontwikkeling. Die stammencultuur werd doorgaans bepaald door familie-eer, de eer van de stam, die vereenzelvigd werd met en gelijkstond aan de eer van de stamgod of -goden, die sinds mensenheugenis door mensen zelf in het leven waren geroepen. Gnosis neemt afstand van het stammengeweten en aanvaardt voor eigen ontwikkeling en authenticiteit enkel de norm van het eigen vrije geweten, inzicht en oordeel, dat volledig in staat is tot zelfbepaling en zelfontwikkeling. en neemt als consequentie daarvan de volle verantwoordelijkheid van  handelen op eigen schouders.

Dit was het wezen van gnosis.

Gnosis kent echter veel omschrijvingen, sommige vaag, andere zeer relevant. Zo houdt gnosis in: de echte individuele, onvervalste kennis van het hart, inzicht, innerlijke zien en kennen. Een meer duidelijke en relevante term is ‘het vrije individuele geweten’, ‘het innerlijk kompas’, ingebouwd in ieder mens, dat met zachte hand richting aangeeft en stuurt, en waarvan hij weet en voelt dat hij dit moet volgen. Het is de woordeloze, ingeboren kennis, die vraagt om vrij te mogen functioneren, vrij van stoorzenders en ongewenste invloeden van buiten. Deze kennis, dit kompas, is het hoger zelf van de mens, zijn gids en engelbewaarder. Deze eenheid van lichamelijk zelf en hoger zelf, de geest, wordt gezien als de belichaming van god in de materie. Dit is het zoonschap gods. Iedere menselijke geboorte is een goddelijke menswording.

Mocht het zijn dat mensen behoefte hebben aan een geloof in goddelijke menswording, dan kan mijns inziens niet genoeg benadrukt worden dat deze goddelijke menswording geenszins beperkt mag worden tot één willekeurige figuur, zoals een Jezus die in kosmische tijd gezien slechts één minuut geleefd heeft. Gnosis kent geen zondebok die beladen wordt met de zonde van het mensdom. Wat voor zonde trouwens? Gnosis kent enkel zelfwerkzaamheid in keuzes en ontwikkeling. Gnosis draagt zorg voor de volledige ontplooiing van de goddelijke neerdaling, die uniek is in ieder mens, zoals er nog nooit een geweest is en er nooit meer een zal zijn.

Ziet men de mens als een menswording van god, dan moet gezegd worden dat alle mensen op volkomen dezelfde wijze als een Jezusfiguur kinderen zijn van god. In dat geval delen wij het kindschap gods. In dat geval kan ik dan een crimineel zijn en mijn buurman een heilige. Beiden bezitten we de vonk van het zoonschap gods en hebben we gnosis, hoewel op verschillend niveau. In ieder van ons beiden is het goddelijk kindschap aan het proberen zich vrij te maken en tot volle ontwikkeling te komen met vallen en opstaan, of de persoon zich daarvan bewust is of niet.

Wie tot dit inzicht komt en weet dat dit niet alleen mogelijk, maar zelfs werkelijkheid is, heeft gnosis. Hij schuift de verantwoordelijkheid voor dat proces niet af op een ander, zelfs niet op een eenmalige verlosserfiguur, maar neemt de volle verantwoordelijkheid van zijn leven zelf op zijn schouders. Hij is immers de belichaming van god zelf, de zoon.

De ontwikkeling van deze gnosis, van dit kindschap, is ieders levensopdracht en verloopt in eenieder op een eigen unieke wijze, ieder in een eigen, uniek tempo.

Hoe gaat dit in zijn werk?

Iedereen heeft daarvoor zijn eigen meester.

Wie is die meester?

Zijn eigen hoger zelf, de geest , de vonk, het feilloos kompas, waaraan hij zich veilig kan overgeven. Mystieken van latere tijden, zoals een Meister Eckhard, waren bezeten van die vonk, het zoonschap gods.

Die stem, dat kompas, is sterker dan tien bataljons pausen, twintig eskadrons kerkvorsten, rijen brandstapels en galgen, honderden heilige geschriften en evangeliën en kilo’s wetboeken.

Hij, die dat kompas volgt zou wellicht kunnen eindigen aan een kruis tussen ‘criminelen’, maar zal verrijzen tot volmaakte goddelijke kennis, in volmaakt goddelijk licht, als godheid zelf. Dat is in mijn ervaring de les van alle Christosverhalen, die in de geschiedenis herhaald zijn en doorgegeven gedurende duizenden jaren en waar het Jezusverhaal er slechts één van is. Aldus schijnt de goddelijke manifestatie zichzelf tot volledige wasdom te voltooien in het vlees. Dat is gnosis, de sterkste kracht in de wereld, en sinds de schepping aanwezig in iedere mens, in iedere ‘zoon’ en ‘dochter’ van de godheid, die in de duisternis is afgedaald, zich daar ontwikkeld heeft en voltooid is opgestegen, verrezen naar het licht. Dat schijnt het christendom van de begintijd te zijn geweest, van de woorden van Jezus, die Nicea overleefd hebben en verborgen werden in Nag Hammadi.

Dit eeuwenoud Christosverhaal is het verhaal van het vrije individu, het verhaal van het licht. Ik kan er niet aan ontkomen dit te zien als het christendom van de begintijd, dat uit pure angst vermoord werd in Nicea en waarvoor het letterlijke Jezusverhaal in de plaats kwam, het verhaal voor een niet begrijpende kudde, het verhaal van het schemerdonker, waar het individu geen rol speelt, het verhaal van de oeroude stammencultuur, die we ook nu nog in oosterse landen aantreffen. Dit soort geloof is uiterst geschikt om politiek mee te bedrijven. Dit is het geloof dat tirannen kweekt en alleenheersers gunstig uitkomt. Dit is het geloof om uiterlijke erediensten mee op te zetten, waar de godheid natuurlijk geen behoefte aan heeft, maar die de kudde nodig heeft ter inspiratie en ondersteuning van hun onnatuurlijk slaafs gedrag.

Geen enkele religieuze strijd in de geschiedenis van de mensheid is heviger en meer eenzijdig haatdragend en bitter geweest, en is dat nog, dan de strijd van Constantijns rooms-katholieke kerk van Nicea tegen de christenen van het eerste uur, de mensen van de christelijke gnosis. De vuile strijd van paus Innocentius III tegen de gnostisch geïnspireerde Albigenzen en hun massaverbranding in het begin van de dertiende eeuw zijn daar mede getuige van.

Het gedocumenteerde, duizenden jaren oude Christosverhaal, heeft een verbijsterende geschiedenis, een geschiedenis van duizenden jaren, of is misschien al zo oud als de mensheid zelf. Zoals ik boven reeds zei, zou dit wel eens de wezensgeschiedenis van de mens kunnen zijn en dat er een Jezusfiguur nodig was om mensen daar weer eens bewust van te maken. Het gaat om het wezen van de mens, zijn kennis, zijn vrijheid, zelfverantwoordelijkheid en zelfbeschikking. Is het te verwonderen dat deze Christusmythe dan ook zo universeel was (en nog is), omdat de waarden die ze verkondigt en waarop ze steunt, zo universeel zijn? Ze is het verhaal van de gnosis, die ieder mens ziet als individu en goddelijk. Ieder mens is een neerdaling van god, een ‘Christos’, uniek zoals geen enkel ander. In de loop der tijden is ze nagenoeg onveranderd gebleven. De evangeliën blijken niets anders dan een aangepaste kopie van het oude verhaal, met een nieuwe acteur. Deze verhalen, die teruggaan tot de tijden van de farao’s en nog verder, zijn alle in de kern hetzelfde. Ze handelen over de menswording van de godheid, over de ontwikkeling en zelfbestemming van de godheid in de mens, Over de poging van angstige leiders deze zelfbeschikking en zelfverantwoordelijkheid de kop in te drukken en over de uiteindelijke verrijzenis van de godheid tot een terugkeer naar zichzelf. Enkel de ‘dramatis personae’, de acteurs van steeds hetzelfde verhaal, verschillen naargelang de cultuur waarin het verhaal plaatsvindt.

Zo kennen we bijvoorbeeld de Osiris-Dionysusmythe, het verhaal van de geïncarneerde god, ‘redder der mensheid’ en ‘zoon van god’.
Zijn vader is god en zijn moeder een sterfelijke maagd. Hij is geboren in een grot of nederige schaapskooi op 25 december in aanwezigheid van drie herders. Hij biedt zijn volgelingen wedergeboorte aan door middel van een doop. Hij verandert op wonderbaarlijke wijze water in wijn tijdens een huwelijksceremonie, en rijdt triomfantelijk de stad in op een ezel, terwijl mensen met wuivende palmbladeren hem eer betonen.
Hij stierf in de paastijd als een offer voor de zonden van de wereld.
Na zijn dood daalt hij af ter helle om op de derde dag te herrijzen uit de dood en glorieus ten hemel te stijgen. Zijn volgelingen wachten op zijn terugkomst als rechter gedurende de laatste dagen. Zijn dood en herrijzenis worden gevierd door een rituele maaltijd met brood en wijn welke zijn vlees en bloed symboliseren.

Er zijn nog heel wat meer overeenkomsten tussen Jezus en andere mythische figuren.

Zo waren Dionysus/Bacchus, Horus, Adonis, Hercules, Krishna, Boedddha maagdelijk ontvangen.

Boeddha, Pythagoras, Empedokles, Epidemes, Abaris, Babylonische magiërs, de Pers Cyrus en Petrus, allen liepen ze over water.

Dionysus/Bacchus, Hercules, Apollo, Serapis, Mithras, Hermes/Mercurius waren verlossers.

Prometheus, Krishna, Indra, Odin/Wodan waren goden die aan het kruis werden genageld; en Zoroaster, Osiris, Horus, Adonis, Dionysus/Bacchus, Hercules, Hermes/Mercurius en Balder daalden af ter helle en verrezen na drie dagen.

Romulus, Heracles, Elia en, na Jezus, Maria, en Mohammed stegen op ten hemel.

Er vonden aardbevingen en zonne-eclipsen plaats. Bij de dood van Krishna viel er duisternis over het land. Er ontstond plots een grote wind en de sneeuw van de Himalaya stortte zich in reusachtige lawines uit over de aarde. Zwarte wolken joegen over de bergen. Bij de dood van Boeddha beefde de aarde in zijn geheel. Een komeet viel uit de hemel. Een stormwind stak op aan de vier uiteinden van de aarde en gierde langs de bergen en rotsen. Alles werd in duisternis gedompeld.

Quetzalcoatl (Mexico) was de god, geboren uit een maagd (!), die stierf op een kruis van gebladerte (!), terwijl de zon werd versomberd en duisternis de aarde overrompelde.

Bij Heimir (Scandinavië) beefde de aarde en duisternis viel over de aarde.
Bij Oedipus’dood (Griekenland) barstte de aarde open, het landschap werd op klaarlichte dag verduisterd.

Bij de dood van Prometheus (Griekenland) schudde de aarde, de donder ratelde. Vurige wervelwinden joegen het stof op tegen de hemel. De hemel versmolt met de zee. De dood van Asclepios (Aesculapius) en Heracles (Hercules) werd eveneens begeleid door natuurrampen.

Vanuit het oude Egypte komt de beroemde Horusmythe.

Sirius, de morgenster in Egypte, zo staat er geschreven, kondigt in het Oosten de geboorte aan van Horus. Hij wordt gedoopt in de rivier Eridanus door een godheid ‘Anup de doper’, die later wordt onthoofd.

Horus heeft geen ‘geschiedenis’ tussen zijn twaafde en dertigste jaar.

Horus wandelt over water, drijft duivels uit en geneest zieken.

Horus heeft een gedaanteverandering op een hoge berg.

Horus houdt een bergrede (‘Uitspraken van Iusa’ genoemd).

Horus wordt gekruisigd tussen twee dieven, begraven in een graf en hij verrijst.

Horus wordt genoemd ‘de Goede Herder’, ‘het Lam Gods’, ‘het Brood ten leven’, ‘de Mensenzoon’, ‘de Mensenvisser’, ‘het Woord’.

Horus is ‘de Weg’ waarover de doden de weg naar de hemel gaan. Hij is ‘de Weg’, ‘de Waarheid’ en ‘het Leven’.

Vanuit Perzië kwam de Mithrasmythe, vanuit Syrië de Attismythe, vanuit Griekenland de Dionysusmythe, vanuit Rome de Bacchusmythe. Al deze mythen doen verhaal over de godheid die geboren werd uit een maagd, en leefde en leed in zijn ontwikkeling juist vanwege die ontwikkeling, die gedood werd en uiteindelijk verrees. Zelfs de bijzonderheden van die mythen lijken verbijsterend veel op het verhaal dat we later lezen in de evangeliën.

De vraag is: is het Jezusverhaal ook een mythe in de lange lijn van de Christustraditie of is het historisch?

Persoonlijk heb ik mijn grootste twijfels niet zozeer over de historiciteit van een zekere Jezusfiguur, maar over het Jezusverhaal zelf, zoals dat ons sinds Nicea door de kerktraditie wordt voorgesteld. Wat mijn persoonlijke spiritualiteit betreft vind ik het onbelangrijk, of het Jezusverhaal historisch is, en zelfs of Jezus een historische figuur is geweest of niet. Het al of niet bestaan van een Jezus heeft geen enkele invloed op mijn denken, mijn levenshouding, op een heden of op een hiernamaals. Geen van deze zaken is daarvoor van belang. Deze mededeling doet echter hier niets ter zake.

Misschien is Jezus een wijze rabbi met volgelingen geweest, die later door de traditie in het traditionele, eeuwenoude Christosgewaad is gestoken. Mythe of historie, het enig belangrijke is de vraag: Wat wil de duizenden jaren oude Christosmythe mij vertellen? Een mythe is een verhaal met een boodschap. Wat is de boodschap van de eeuwenoude Christosmythe? Waar gaat het over?

Het is enkel met het antwoord daarop, dat ik verder kan. Het verhaal daaromheen is dan van geen enkel belang meer.

Mijn antwoord op die vraag is het antwoord van de gnosis, zoals we die boven beschreven hebben.

Ik geloof dat ik veilig mag veronderstellen dat de mens vanaf het begin van zijn bestaan tot op heden verwikkeld is geweest in de titanenstrijd: individu versus kudde, een strijd die er altijd zal zijn en die nooit gewonnen zal worden door welke partij dan ook. Het is de eeuwige strijd tussen het vrij, zelfstandig denken en handelen van het individu tegenover het kudde-denken en kudde-handelen, ofwel de cultuur van de samenleving, waar hij deel van uitmaakt; of, zoals ik het ooit eens gesteld heb: ‘Hoeveel van die cultuur mag ik opgeven zonder vermoord te worden door de kudde, en hoeveel van mezelf mag ik opgeven zonder mijn integriteit en zelfrespect te verliezen, mijn ontwikkeling te blokkeren en zonder op te houden mens en individu te zijn?’ Ooit heeft een oosterse wijze eens gezegd dat dit juist het punt is waar alles om draait. Hij noemde dit het balanceren op het scherp van een scheermes.

Het Christosverhaal aller tijden heeft maar één boodschap. Het is de boodschap van de gnosis: ‘Ken jezelf, denk voor jezelf en neem de volledige verantwoordelijkheid van je denken op je.’ Misschien zul je verpletterd worden door een angstige kudde. Sta de ontwikkeling van god in jezelf niet in de weg. Het kompas voor die ontwikkeling ben je zelf, is je hoger zelf, je eigen, vrij geweten. Mocht je lager zelf, je lichaam, daarvoor gekruisigd worden, je zult uiteindelijk verrijzen in het verblindend licht van je eigen zoonschap, je eigen eenheid met god.

Dat is de gnosis van de Christos, die in Nicea het leven heeft moeten laten.

Die gnosis heeft een hele geschiedenis doorgemaakt.

Het is wellicht hier de plaats om die geschiedenis heel beknopt weer te geven.

 

Opstand tegen Jahwe

Ik heb een sterk vermoeden dat er een stille noodkreet verborgen ligt in alle oprechte, denkende, goede mensen, die luidt: ‘Verlos mij van de god die mij is aangepraat’; een gedachte, die prompt, maar onterecht verdrongen wordt als godslastering.

Moge wat nu volgt een mogelijke geruststelling zijn voor degenen, die deze kreet niet meer kunnen onderdrukken.

Niet de geschriften van het joodse volk, maar zijn dagelijkse geschiedenis door de eeuwen heen, het leven van alledag, dat nooit beschreven wordt, maar dat eigenlijk het enige is dat van belang is, die geschiedenis is er een geweest van voortdurende angst voor de wraak en de wrede, soms onmenselijke straffen van Jahwe.

Het is een geschiedenis van angst en opstand, die met onverminderde kracht is overgeslagen op de kerken.

 

Hammurabi

Schrik niet als ik deze geschiedenis moet beginnen met een aansluiting op het Babylonië (Irak) van bijna vierduizend jaar terug.

Daar regeerde van 1792-1750 v.C. koning Hammurabi.

Het is deze Hammurabi geweest die een van de grootste sociale omwentelingen in de geschiedenis van  het mensdom heeft teweeggebracht.

Hij is de eerste geweest in de geschiedenis, die zijn volk een geschreven code van wetten heeft gegeven, en bij iedere wet de toegevoegde strafmaat voor overtreding. Ons huidige wetssysteem met alles wat daaraan vastzit vindt zijn oorsprong en grondslag in deze codex van Hammurabi.

Met die codex wilde Hammurabi een einde maken aan de stammencultuur van de toen levende woestijnvolken.

Deze cultuur was een verzameling van rommelige systemen van onduidelijke, grillige normen en waarden, waarin de stam, de grote familie en het gemeenschappelijk denken en de eer van de stam op de eerste plaats kwamen. Het individu telde niet, enkel de eer van de familie en het collectief van families, de stam. Stammencultuur is het best te vergelijken met de maffiacultuur, of met de plattelandsbevolkingen in moslimlanden. De eer van en het respect voor de stam, de grote familie, moet ten koste van het individu gehandhaafd en gewroken worden. Het individu moet er zijn denken, zijn leven en goed aan opofferen. In de stam bestaat geen individualiteit. De mensen van de stam mogen zich eigenlijk niet als individu ervaren en manifesteren. Daarom mogen ze ook niet denken voor zichzelf en voelen ze zich ook niet verantwoordelijk voor hun eigen daden, zolang de stam-eer maar niet aangetast wordt. Niet recht en rechtvaardigheid en zelfverantwoordelijkheid tellen in de stam. Enkel de goede naam en de eer ten aanzien van anderen. Toen na de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk de eerste priesters de kerk wilden verlaten om te trouwen, werd hun vanuit Rome aangeraden maar in concubinaat te leven, liever dan dat ze de eer van de kerk zouden bezoedelen door (zelfs met dispensatie) te trouwen. Zo zal tegenwoordig nóg bijvoorbeeld een meisje uit een stammencultuur, dat een taboe doorbreekt en zelf een huwelijksbeslissing neemt en die doorzet, vermoord worden door haar eigen broer, hetgeen nog niet zo lang geleden gebeurde op het station van mijn geboorteplaats. Haar broer was haar vanuit het Turkse platteland nagereisd om die eerwraak uit te voeren.

De vele zogenaamde ‘ketters’ door de eeuwen heen in de katholieke kerk is eenzelfde lot beschoren geweest.

Het bestuur en het klimaat van de stam is patriarchaal. Individualiteit is in het stammendenken pure anarchie.

Gnosis, waarin zelf denken, zelfverantwoordelijkheid en zelfontwikkeling als zijnde de ontwikkeling van gods zoonschap centraal staan, staat haaks op de stammencultuur van het verplicht kudde-denken, het verplicht kudde-handelen. Deze gnosis is het levensbloed van de ‘Christos’ van alle tijden geweest, in welke vorm deze figuur dan ook gemythologiseerd wordt. Over deze gnosis gaan alle ‘Christusmythen’ der mensheid, inclusief de christelijke. Het behoeft geen betoog hoe bedreigend gnosis is geweest en nóg is voor machthebbers als keizers, pausen en andere autocratische stamhoofden.

Als men mij vraagt wat dan het christendom van de begintijd geweest is, waartegen Nicea zich heeft moeten wapenen, dan zeg ik: het was juist deze eeuwenoude gnosis, dit individueel-menselijk basisrecht tot zelfkennis, zelfbeschikking en zelfverantwoordelijkheid, en tot zelfstandig denken, de enige basis van zelfrespect en daarom van respect en liefde voor anderen. Enkele teksten van deze gnosistraditie hebben de betreurenswaardige, in mijn ogen misdadige boekverbranding, die door kerkvader Athanasius bevolen was, overleefd. Eeuwig dank aan de ongehoorzame, ‘voor de eeuwige verdoemenis bestemde’ monniken, die deze geschriften hebben gered en verborgen in Nag Hammadi, Egypte.

We zullen nu ruim 1000 jaar vooruitgaan in de tijd en belanden dan bij de Babylonische gevangenschap. In de zesde eeuw voor Christus had de Babylonische koning Nebukadnezar Juda veroverd en een groot deel van het Joodse volk, vooral de upper ten, in gevangenschap naar zijn land gevoerd. Deze gebeurtenis staat bekend als ‘de Babylonische gevangenschap’. Tijdens deze gevangenschap die een generatie lang heeft geduurd van 587-539 v.C. kwamen deze notabelen van het volk in contact met de beschaving, de cultuur en de wetgeving van Babylonië. Toen het buurland Perzië (Iran) op zijn beurt Babylonië veroverde, mochten de Joden weer naar huis. Velen maakten daar gebruik van, velen ook bleven in Babylonië. Het is kort na deze terugkeer, dat de eerste geschreven documenten van het Joodse volk het licht zagen. Dat was ongeveer in het midden van de zesde eeuw voor Christus.

Dertien eeuwen geheugenwerk en verhalen van vader op zoon werden toen opgetekend. Het behoeft geen betoog dat de historiciteit van de inhoud van die geschriften (de eerste vijf boeken van de Bijbel) praktisch van geen waarde is. Zeer veel van die eerste vijf boeken zijn ook niet origineel, maar plagiaat, hetgeen in die tijd heel normaal was. Zo werd het scheppingsverhaal gewoon overgeschreven uit de scheppingsverhalen van de Babyloniërs. Die hadden twee versies. De bijbel heeft er ook twee. De wetgeving van Mozes, die zo’n grote plaats inneemt in de geschiedenis van het volk, en die hij zijn stamgenoten na hun bevrijding uit Egypte zou gegeven hebben, was een kopie van de wetgeving van Hammurabi, waarmee de Joden, eeuwen ná Mozes, tijdens hun verblijf in Babylonië hadden kennisgemaakt. Hetzelfde geldt voor het verhaal van de zondvloed. Dit soort reeds bestaande Babylonische documenten waren de hangijzers waaraan de geschiedenis van het Joodse volk werd opgehangen. Wat moest je met het onbetrouwbare, dertien eeuwen oude collectieve volksgeheugen waarvan tot dan toe niets op schrift was gesteld? In die geschriften maken we ook voor het eerst kennis met de joodse fundamentalisten, een bepaald type mannen, die later profeten werden genoemd. Profeten, die soms ook tegelijkertijd priesters waren, heeft het volk, zoals dat in die boeken beschreven staat, al vanaf het begin gehad. Na de Babylonische gevangenschap werd ook precies beschreven wat die profeten zo al eeuwen geleden allemaal gezegd hadden en hoe ze vooral de afvallige koningen met de straffen van Jahwe gegeseld hadden. Nogmaals, veertien eeuwen geheugenwerk kwam ineens op schrift te staan. Wat de profeten betreft, zou ik me kunnen voorstellen dat zij die actief waren tijdens en na de Babylonische gevangenschap, zoals bijvoorbeeld Ezechiël, model hebben gestaan voor de profeten van voorheen. En die Ezechiël was krankzinnig van genadeloosheid. En allemaal verzekerden die profeten dat zij spraken namens Jahwe. Zij zijn de gesel van het Joodse volk geweest en vervolgens van de gehele christelijke beschaving. Zij zijn het namelijk die Jahwe geschapen hebben en hem vervolgens met hun eigen psychosen hebben opgezadeld en hem vervolgens op het volk hebben losgelaten met straffen, onheilsboodschappen, vervloekingen, jaloersheid, kortom met hun eigen ziekelijke geest. Dit pathologisch monster werd op het volk losgelaten: Jahwe, het kind van hun zieke fantasie, die veel later niet voor niets vereenzelvigd zou worden met ‘het kwaad’. Tegen die Jahwe heeft zelfs de christelijke god het moeten afleggen.

Ik sluit me aan bij degenen die van mening zijn dat het verschijnsel gnosis zo niet veroorzaakt werd door een opstand tegen het volkomen onnatuurlijk verschijnsel Jahwe, dan toch wel een van de grootste impulsen is geweest van die opstand. Met zoiets was voor een redelijk, met verstand en gevoel begaafd mens niet te leven.

Zowel de Joden van het Oude Testament als de christenen moesten verlost worden van Jahwe, de god van rechtvaardigheid, de god der wrake. Die god was langzamerhand uitgegroeid tot iets, waarmee die arme mensen geen raad meer wisten. Uiteindelijk was het zo, dat als je ziek werd, dat een straf was van Jahwe, de rechtvaardige: als je doodging was dat ‘de wrake gods’; als je tot armoede verviel, was dat een straf; als je onheil overkwam, was de straf van Jahwe op je neergedaald voor verborgen zonden. Zelfs een hele bewoonde wereld werd gestraft voor de zonde van enige enkelingen, zoals we lezen in het verhaal van de zondvloed. En in Genesis een heel mensdom voor de zonden van een mensenpaar. Geen wonder dat dit gedrochtelijk denken uiteindelijk moest uitmonden in de erfzonde. Je kon in de ogen van die god der ‘rechtvaardigheid’ en ‘wrake’ eigenlijk vanaf je geboorte al geen goed doen. Deze gedachte heeft in de 4de eeuw gestalte gekregen in de leer der erfzonde, verkondigd door de oogappel van de katholieke kerk, Augustinus. Recente doodsteken, die zijn toegebracht aan dit rechtvaardigheidsgedrocht zijn de holocaust van miljoenen onschuldige joden, de recente tsunami, de ondergang van New Orleans in een nieuwe zondvloed en vele andere calamiteiten van wereldformaat. Dat dit alles een straf of wraak zou zijn van een rechtvaardige god/rechter voor beledigingen hem aangedaan, wil er bij niemand meer in, vermoed ik.

Niet de arme angstig gemaakte joden, die naar eer en geweten de onnatuurlijke godsdienstwetten van Jahwe niet meer konden nakomen, niet de gewapende troepen van de kerk, die eeuwen geleden de islamieten hebben vermoord, niet de Katharen en, door de eeuwen heen, niet de ketters die zijn gedood en levend verbrand, niet de domme, geïndoctrineerde zelfmoordterroristen, niet zij zijn de schuldigen, maar de profeten, de priesters en de imams, die de godheid vernederen tot de status van barbaar van eigen allooi, en hem allerlei dingen laten zeggen, zijn de schuldigen.

De joden die inzicht en gnosis hadden verworven zijn dan ook op gezette tijden steeds in opstand gekomen tegen de presentatie van deze primitieve Jahwe, die de overlevering hun had aangepraat. Dat hun dat door hun respectabele leiders niet in dank werd afgenomen, kan in ons land bijvoorbeeld onze dierbare  Baruch Spinoza getuigen, die om zijn gnosis op de volgende wijze uit de synagoge verbannen werd. Op 27 juli 1656 werd de banvloek over Spinoza uitgesproken. Daarmee werd hij verstoten uit de synagoge en de joodse gemeenschap. De banvloek bestond uit de volgende tekst:

 

De Heeren des Kerkeraads doen u te weten, hoe zij sedert langen tijd kennis hebbende van de slechte meeningen en werken van Baruch d’ Espinoza, hem op verschillende wegen en beloften poogden terug te brengen van zijn slechten +weg en, hem niet kunnende genezen, maar integendeel dagelijks meerder kennis krijgende van de afschuwelijke ketterijen, die hij deed en leerde en de ijslijke werken die hij wrocht, daarvan velerlei geloofwaardige getuigen erlangden, die spraken en getuigden van den gezegden Spinoza, waardoor hij overuigd werd. Hetwelk alles onderzocht in tegenwoordigheid der HH. Wijzen, beraadslaagden zij met hun goedvinden, dat gezegde Espinoza zou gevloekt en verbannen worden uit het volk van Israel, gelijk zijn thans in banvloek stellen en met den volgenden banvloek doen:

Met het oordeel der engelen en de uitspraak der Heiligen, vloeken, bannen, verwenschen en vervloeken wij Baruch d’ Espinoza, met goedvinden der kerkelijke rechtbank en van deze geheele heilige gemeente, ten aanzien der heilige boeken, naar de zeshonderddertien voorschriften die daarin geschreven staan, met de banvloed waarmee Jozua Jericho vervloekte, met de verwensching waarmee Eliza de kwajongens verwenschte en met al de vervloekingen, die in wet geschreven zijn. Hij zij verwenscht bij dag en bij nacht, hij zij verwenscht in zijn liggen en verwenscht in zijn opstaan, hij zij verwenscht in zijn uitgaan en verwenscht in zijn ingaan; nimmer moge de Heer hem vergeven en voortaan de woede des Heeren en zijn ijver op dezen mensch branden+, en hem opleggen alle vloeken, verderve uit alle stammen Israëls, met al de verwenschingen van het firmament, geschreven in het boek dezer wet.

En gij verkleefden aan den Heer uwen God, blijft heden allen behouden!

Waarschuwende, dat hem niemand mondeling mag spreken, niemand bij geschrifte, niemand hem eenige gunst verleenen, niemand onder een dak met hem verblijven, niemand op vier ellen afstand van hem vertoeven, niemand eenig papier lezen, door hem gemaakt of geschreven.

 

Het is hier de plaats een parallelvervloeking van de katholieke kerk af te drukken, die eveneens getuigt van een zieke, door mensen geschapen god. De volgende banvloek werd uitgesproken door paus Innocentius III in 1209, voordat hij met een leger de Katharen in Zuid-Frankrijk ging uitmoorden. Deze banvloek moest in alle kerken van de westerse wereld voorgelezen worden van de preekstoel:

 

Vervloekt zijn zij altijd en overal;

Vervloekt zijn zij dag en nacht en ieder uur;

Vervloekt zijn zij als zij slapen en als zij waken;

Vervloekt zijn zij als zij eten en als zij drinken;

vervloekt zijn zij als zij zwijgen en als zij spreken;

Vervloekt zijn zij van de kruin van hun hoofd tot de zool van hun voeten;

Mogen hun ogen blind worden;

Mogen hun oren doof worden;

Moge hun mond stom worden;

Moge hun tong aan hun verhemelte vastkleven;

Mogen hun handen niets meer aanraken en hun voeten niet meer lopen;

Vervloekt zijn al hun ledematen;

Vervloekt zijn zij als zij staan, als ze liggen en als zij zitten;

Mogen ze begraven worden met honden en ezels;

Mogen roofzuchtige wolven hun lijken verslinden.

(Uit: Bram Moerland – Mont Ségur, p. 9)

 

Niemand, denk ik, die dit nog snapt. Over de banvloeken uit de moslimwereld zullen we verder zwijgen. Het wordt eentonig.

Dit soort taal is de voortzetting van de taal der profeten, met dit verschil, dat deze banvloeken werden uitgesproken door mensen en niet direct hun god in de mond werden gelegd, althans niet expliciet.

 

We hebben boven de aanhoudende angst van het uitverkoren volk voor Jahwe’s ‘rechtvaardige’ oordeel en straf geschetst.

Toen de eerste boeken van de Bijbel op schrift werden gesteld na de Babylonische gevangenschap, wat is er toen fout gegaan, zodat deze ellendige, verreikende situatie kon ontstaan?

We hebben gezien dat de codex van Hammurabi werd overgenomen door de schrijvers en werd getransformeerd tot de wet die Mozes eeuwen geleden aan zijn semitische stamgenoten gegeven had, nadat hij ze volgens de overgeleverde traditie uit Egypte had weggevoerd.

De bron van alle toekomstige ellende is toen geweest, dat de schrijvers deze wetten, overgenomen uit de codex Hammurabi, in de mond van Jahwe hebben gelegd en hem meteen als rechter en uitvoerder van de strafmaat hebben aangesteld. In Babylonië lagen de rechtspraak en de uitvoering van de wetten van Hammurabi en de bepaling van de strafmaat natuurlijk in handen van menselijke rechters. En dat is het enorme verschil. Door de wet van Hammurabi in de mond van Jahwe te leggen kregen de profeten carte blanche, waartegen niemand verhaal had, want het was Jahwe die sprak.

Voor mij is het meest zielige aan deze hele toestand het feit, dat profeten, priesters, rabbijnen en imams denken dat hun god (die hun zelf ook ooit is aangepraat) hen nodig heeft om zichzelf te verdedigen en zichzelf overeind te houden tegenover de aanslagen van zijn schepselen, en dat hij zelfs beledigd kan worden. Zou dit betiteld kunnen worden met ‘de godslastering der godslasteringen’?

 

Gnostiek

Gnosis moet niet verward worden met gnostiek.

Gnostiek is filosofie en geschiedenis. Filosofie omdat ze het gnosisproces analyseert en bespreekt en er een soort wereldbeschouwing van maakt, inclusief hemelsferen, archonten, Sophia en demiurgen.

Gnostiek is ook geschiedenis in zover ze de ontwikkeling van dat proces binnen verschillende culturen bekijkt en samenvat. Zeer interessante studie, maar die verder niets te maken heeft met gnosis als zodanig.

Gnosis kent geen geschiedenis. Het is het hoogst individuele proces zelf, dat zich telkens onherhaalbaar afspeelt in een nieuwe mens. Gnosis heeft geen gnostiek nodig, heeft geen enkele bron buiten zichzelf nodig.

Gnosis heeft geen aangeprate god nodig, geen openbaring, geen profeten en geen Jezusfiguren. Gnosis is de manifestatie en ontwikkeling van god in mens, een manifestatie die van zichzelf bewust is geworden. Een mens van gnosis is de echte humanist.

 

 

Terug naar de titel

Na deze waarnemingen en overwegingen ben ik van mening dat ik gerechtvaardigd ben de thesis van de  titel van dit essay te herhalen:

 

NICEA

of:  de dag dat het Christendom stierf

Het is aan eenieder om nu met enige grond onder de voeten zijn eigen mening te vormen omtrent deze stelling. Hoe dan ook: we zullen ooit een keuze moeten maken tussen onszelf en de machtige totalitaire religieuze systemen, die de mensheid  dogmatisch komen vertellen dat zij de enige, eeuwige, door god geopenbaarde waarheid bezitten, en op grond daarvan  de volgelingen aanzetten, niet tot ‘RELIGIE’, maar tot een  primitieve godsdienstcultuur en gewelddadige, gewapende missionering.

 

Auteur:

Hein Thijssen (1922 – 2008) was jarenlang monnik en daarna pastor geweest. Op tachtigjarige leeftijd heeft hij iedere georganiseerde religie en kerk vaarwel gezegd.
Hij studeerde theologie, filosofie en gedragswetenschappen. Hij was 20 jaar R.K. pastor in een drukke praktijk in Canada, waarna hij de kerk vaarwel zei. Na zijn terugkeer in Nederland was hij tot aan zijn pensioen docent gedragswetenschappen in het hoger beroepsonderwijs. Op 80-jarige leeftijd schreef hij het verslag van zijn geestelijk ontwikkelings- en bevrijdingsproces in het boek ‘Leeg en bevrijd’, gevolgd door nog twee boeken ‘De andere god – terugkeer naar natuurlijke religie’ en ‘Atheïst , maar niet goddeloos’, en een Nederlandse vertaling van de ‘Tao Teh Ching’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven