Hoe kijk jij aan tegen pensioen? Blij dat je van je werk af bent, of mis je het juist erg? Misschien ben je juist nog bezig met het vinden van een antwoord op die vragen. Hoe onze kijk op werk en pensioen ook is, deze is mede gevormd door hoe er in de samenleving door de tijd heen over is gedacht. In de jaren vijftig van de vorige eeuw bestond het leven uit drie fasen: de jeugd, waarin werd geleerd, de volwassenheid waarin de mannen werkten en de vrouwen zorgden en als laatste de ouderdom waarin werd uitgerust (Raad van de Volksgezondheid & Samenleving, 2020). Door de stijging van de gezonde levensverwachting, de komst van de AOW en de pensioenen is er volgens de RV&S een fase bijgekomen. De derde levensfase is nu de fase met vitale jonge ouderen en de kwakkelende ouderdom is dan de vierde levensfase. Door de tijd heen heeft dat bijgedragen aan onze eigen zienswijze en gevoelens over pensionering. De zienswijze op de invulling van de vitale derde levensfase van de jonge oudere. Misschien heb je er weleens expliciet bij stilgestaan. Ikzelf eerlijk gezegd pas op het moment dat er gevoelens over het met pensioen gaan bij me opkwamen, zo ongeveer een jaar voor mijn pensioendatum. Ik merkte dat dit voor meer mensen het geval was en dat we vooral door de jaren heen een impliciete kijk op werk en pensioen ontwikkelden.
Een impliciete kijk op werk en pensioen?
‘Hoera, eindelijk staat het weekend weer voor de deur!‘, roept een radio-dj enthousiast zijn luisteraars toe. Ik had het al wel vaker ge-hoord, maar nu ik aan het nadenken was geraakt over werk en pensioen zette het mij aan het denken. Wat zeg je daar eigenlijk mee, vroeg ik me af. Bedoel je dan dat je eindelijk verlost bent van het werk? Ineens doken er zo om me heen meer uitdrukkingen op. Iemand zei dat hij ‘loonslaaf’ was, een ander meldde dat zij zojuist weer de week had ‘doorgezaagd’. Regelmatig kwam ik mensen tegen die mij vroegen hoe lang ik nog ‘moest’, doelend op de nog resterende werktijd voorafgaand aan mijn ‘welverdiende’ pensioen. ‘Jaha’, grapte er een, ‘jij hoeft zo meteen niet meer te werken. Weet je namelijk wat het nadeel is van werk? Er gaat zoveel vrije tijd in zitten.’ Ineens viel het me op dat er nogal wat uitdrukkingen in onze taal zitten waarin werk een negatieve lading krijgt. Werk komt uit die uitdrukkingen naar voren als een tijdsbesteding die het aflegt tegen onze vrije tijd.
Hoe zou dat komen, dacht ik? Bij de oude Grieken was werk er voor de slaven en vrouwen en in de Bijbel was het de straf voor de uit het paradijs gestuurde zondige Adam en Eva.
Later in de geschiedenis is arbeid, vooral geïnspireerd door Luther en Calvijn, de bijna heilige plicht van de mens Gods werk hier op aarde voort te zetten. Met de industrialisatie en de arbeidsdeling is werk gerationaliseerd. Illustratief is een uitspraak van nazi en NASA-raketdeskundige Wernher von Braun. Hij zei, vrij vertaald: ‘De mens is de beste machine en de enige die in massa geprodu-ceerd kan worden door ongeschoolde arbeid.‘
Sinds de industrialisatie is arbeid ook hét middel voor emancipatie, autonomie en sociale mobiliteit: de krantenjongen kan miljonair worden (Weehuizen, 2000). Mijn ouders hebben mij grootgebracht met het idee dat als je goed je best doet op school, je later een goede baan kunt krijgen. Dat belang benadrukt ook de WRR (1977) door te stellen dat betaalde arbeid in de hoogontwikkelde westerse samenleving een centrale plaats inneemt en tot op grote hoogte het menselijk bestaan regelt. In 1991 schrijft de Raad dat arbeid direct of indirect geld, macht, aanzien en geluk verdeelt (WRR, 1991). Logisch dat mijn, en ik denk dat ik veilig kan aannemen onze, ouders een groot belang toekenden aan een goede baan. Toch vertelden mijn ouders ook het sprookje van Luilekkerland waar je komt door je door een rijstebrijberg heen te eten en waar luieren troef is en werken verboden. Dat was een utopie, dat begreep ik wel, maar toch was het stiekem ook een wenkend perspectief. Er is een soort tweeslachtigheid zichtbaar in werkbeleving. Aan de ene kant is het een levensvervulling en anderzijds lonkt het utopisch luieren, dat in de technotopi die historicus Harari (2019) voorziet, ineens realistischer lijkt te worden. Hij voorziet een soort luilekkerland waarin machines al het werk doen, waardoor er een machteloze massa ontstaat die niet meer nodig is in het geautomatiseerde productieproces. Ze kunnen hun dagen vullen met video reality games en punten en levels verzamelen zoals zij dat al duizenden jaren leerden in hun religies. Voldoen aan rituelen, voorschriften en gedragsregels waarbij je punten scoort voor het next level. Een next level dat ik voor het gemak maar even luilekkerland noem en misschien mag ik in het geval van pensionado’s, het luilekkerland voor de ouderen noemen.
De beelden over werkbeleving zijn door de jaren heen volgens Achterhuis (2000) ambivalent:
‘Enerzijds heeft arbeid zich in de moderne tijd tot een plicht en recht ontwikkeld. Mensen, vroeger alleen mannen, behoorden te werken en vonden daarin voldoening. Weber betitelde deze houding in het begin van de 20e eeuw als het typische westerse arbeidsethos. Anderzijds bestond er altijd de droom van een van arbeid bevrijde samenleving. In het middeleeuwse luilekkerland was werken uit den boze en ook in sommige negentiende-eeuwse utopische toekomstverwachtingen wordt de lof der luiheid bezongen‘ (Achterhuis, 2000, pp. 240).
In een conference uit de show ‘De gulle lach’ uit 1977, voerde Wim Sonneveldt eens een typetje op dat tegen een man op een ladder, die met een bijl in de muur stond te hakken, riep: ‘Hé, dat doe je verkeerd!‘ Toen de man van de ladder naar beneden kwam en verduidelijking vroeg, zei het typetje: ‘Dat doe je verkeerd, dat moet je een ander laten doen!‘ Dat refereert aan een opvatting van werk als iets waar we het liefst vanaf willen. Het zijn in die visie noodzakelijke activiteiten die we alleen maar ondernemen om in leven te kunnen blijven. Er moet brood op de plank komen. Door de oudedagvoorziening goed te regelen, breekt op een gegeven moment het ‘zwitserlevengevoel’ aan en kun je op latere leeftijd nog volop van het leven genieten. Het echte goede leven ligt in deze visie buiten je werk. Aan de andere kant van de werk-medaille geeft werk je werkritme, status, identiteit en sociale contacten. Wat zeg je op een verjaardag als mensen je vragen wat je doet? Illustratief is wat voormalig docent Loek daarover zegt:
‘Van de zomer vroeg iemand op de camping wat ik deed. Ik zei: ik ben docent, terwijl ik al met pensioen was. Ik ben later teruggegaan om te zeggen dat ik een beetje had gejokt.’
Het docentschap was kennelijk een belangrijk onderdeel van zijn identiteit. Net zoals de vraag op verjaardagen ‘Zeg, wat doe jij eigenlijk?’ in feite al gauw een vraag is naar wie je bent.
Jaap Willems, emeritus hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de VU en de Universiteit Tilburg, geeft aan dat verlies van werkritme, verlies van status, het gevoel dat je er niet meer bij hoort en het verlies van het dagelijkse contact met collega’s, aspecten van werk zijn waar we moeilijk zonder kunnen.
Met die ambivalente kijk op werk, die zich door de eeuwen heen heeft gemanifesteerd, is het niet gek dat de manier waarop men-sen naar hun pensioen kijken varieert en vergelijkbare ambiva-lenties vertonen. Kijk maar om je heen. Je kent vast mensen die niet kunnen wachten tot het eindelijk zover is en je hoort waar-schijnlijk ook weleens dat er mensen zijn die zich er geen raad mee weten. Er zijn organisaties die ‘pensioen-in-zicht-cursussen’
aanbieden aan hun medewerkers, waaruit af te leiden is dat de overgang van werk naar pensioen niet voor iedereen over een mooi geplaveide weg gaat. Ook het grensgebied tussen werk en pensioen ziet er verschillend uit. Voor de een is er een periode van gewenning in werk door taken en werkuren af te stemmen op de laatste werkfase voor het pensioen. Een ander werkt nog even door. Soms alsof er geen pensioen bestaat en soms met een in uren en looptijd afgepast takenpakket, terwijl ook cold turkey stoppen met werk voor komt.
De vormgeving van de pensioentijd zelf is eveneens erg persoonlijk. Sommigen werken gewoon door in het werk dat zij al deden, anderen vinden een nieuwe betaalde baan, weer anderen doen nuttig vrijwilligerswerk, zijn oppas voor de kleinkinderen, gaan helemaal op in reizen, hobby’s of vinden een combinatie van al dit soort activiteiten. Er zijn er die hun bestemming helemaal hebben gevonden terwijl anderen hun draai maar niet kunnen vinden. Mensen verschillen ook in wanneer en hoe zij zich gaan oriënteren op hun pensioen. De een bereidt zich nauwgezet en gestructureerd voor, doet een cursus en werkt plannen uit, terwijl een ander er af en toe eens wat gedachten aan wijdt, globaal wel wat ideeën heeft, maar pas gaat nadenken over het pensioen als het zover is. Ook zijn er die het gewoon op zich af laten komen in het vertrouwen dat het wel goed komt of omdat zij de kop in het zand willen steken en stiekem ontkennen dat er pensioen is en dat zij ouder worden.
Er is niet één beste manier om je erop voor te bereiden, omdat wat passend is voor de één, niet past bij een ander. Dit boek beschrijft daarom niet, zoals bij zelfhulpboeken gebruikelijk is, een methode die je moet toepassen om tot een zinvolle invulling te komen. Het boek is enigszins te vergelijken met het palet van een kunstschilder. De schilder doet allerlei mogelijke kleuren op zijn palet om te kunnen zien wat er allemaal mogelijk is en wat er ontstaat als kleuren gemengd worden.
Martin Reekers
Bovenstaande tekst is ontleend aan het boek
Een sleutel naar het walhalla – Openingen voor een mooie pensioenbeleving
