Met Bob Dylan naar Santiago: Muziek in mijn leven (deel 2)

Ik ben in de laatste bewuste fase van mijn leven en ik voel me steeds meer aangetrokken door wat hindoes noemen ‘de ware wijsheid van de kosmos’.

Daniel Klein[1]

 

De mens is een pelgrim in het diepst van zijn gedachten.

Ineke Albers[2]

 

Muziek legt een directe verbinding met je kern, je ziel en de Bron.

Felix Erkelens[3]

 

 

 

Muziek in mijn leven

Op het moment dat ik dit schrijf leid ik een pensionado bestaan en ben ik, net als vroeger in mijn puberteit, gegrepen door klassieke muziek. Passionele klassieke muziek. Op het St. Ignatiuscollege in Amsterdam heb ik muziekonderwijs gehad van Bernard Huijbers, een pater jezuïet die in 1973 de orde verliet, daarna trouwde en zich terugtrok in een huisje in Frankrijk dat hij Contre I’Église noemde. Dit laatste lees ik nu in Wikipedia. Blijkbaar was Huijbers net zo kritisch over het instituut kerk als ik dat was in mijn jeugd. Met name opvattingen over seksualiteit waren voor mij een breekpunt. In het daoïsme vond ik daarvoor een tegenwicht, zoals ik in de volgende paragraaf zal bespreken. Ik heb lang geaarzeld om de camino naar Santiago te gaan lopen  dat immers in Spanje het paradepaardje bij uitstek is van het katholicisme. Als daoïst wil ik echter nonduaal denken, dat wil zeggen me richten op zaken die achter tegenstellingen (dualiteit) liggen en die tegenstellingen kunnen overbruggen.[4] Misschien is het troebele water uit mijn jeugd na al die jaren helder geworden?

Mijn herinneringen aan het muziekonderwijs op de middelbare school dateren uit 1965-1966, toen ik in de vierde klas van het gymnasium door Bernard Huijbers werd onderwezen of, liever, ingewijd in de klassieke muziek.

 

Volgens Plato is muziekonderwijs de onderliggende essentie van elk goed onderwijs, omdat muziek doordringt tot in de verste uithoeken van de ziel.[5]

 

In de aula van de school had Huijbers grote boxen geplaatst waaruit hij de muziek liet horen en ons daarbij opmerkzaam maakte op bijzonderheden van compositie en instrumentatie. Deze kenmerken werden daarna schriftelijk overhoord met multiple choice vragen, een noviteit in die dagen. Diagnostisch zeer doeltreffend, door de vragen werd ik me snel bewust van de bedoeling van de docent. Van het cijfer 4 op de eerste schriftelijke overhoring ging ik naar een 8 op de tweede overhoring. Het door Huijbers aangeprezen XYZ van de klassieke muziek schafte ik direct aan. Huijbers vond dit boek zo belangrijk dat hij het zelfs beter vond om dit boek, bij gebrek aan geld, zonder te betalen uit een winkel mee te nemen dan het boek onbetaald in de winkelschappen te laten staan. Allemaal bij wijze van spreken misschien, maar voor een puberleerling zeer aansprekelijk.

 

Muziek als fundament

Op een regenachtige avond in 1968 ging Auke van der Woud, 21 jaar oud, op bezoek bij een vriend, medestudent kunstgeschiedenis in Groningen. ‘We zaten op zijn kamer en hij zette een plaat op: Winterreise van Franz Schubert. Hij had veel klassieke muziek. Ik had niks met klassieke muziek, ik was meer van Frank Zappa. Maar toen hij die plaat draaide… ik weet niet precies wat er gebeurde, maar het raakte me diep.’

 

De muziek of de tekst?

 

‘Allebei, denk ik. Het meandert zo prachtig heen en weer, het gaat van diepe wanhoop naar grote vreugde, van opstandigheid naar terneergeslagenheid. Ik vroeg of ik de plaat van hem mocht hebben. Kost je een tientje, zei hij. Ik nam hem mee, hij staat hier nog steeds. Het is een lyrische uitvoering zoals je nu niet meer hoort, uit 1945, gezongen door Peter Anders. Die avond is bepalend geweest voor de rest van mijn leven.’

 

Tot zijn literaire voorbeelden rekent Van der Woud Albert Camus, Louis Paul Boon en Lucebert. Van die laatste las hij op zijn 18de de bundel Triangel: ‘Hij maakte een creativiteit in me wakker die ik niet eerder kende. Het mirakel van Monte Carlo uit die bundel reken ik, met de liederen van Schubert en de operamuziek van Wagner, Berlioz en Puccini, bij de fundamenten van mijn schrijverschap.’[6]

 

In mijn jeugd speelde muziek een belangrijke rol. Ik ben geboren in 1949. In de jaren vijftig luisterden we op een transistor radio naar Radio Luxembourg. Daar was muziek te horen van muzikale pophelden als Paul Anka, Conny Francis, Elvis Presley, Cliff Richard en The Everly Brothers. Deze muziek werd ook gedraaid in het zwembad, onze vaste stek waar wij onder een luidspreker de wondere wereld van de popmuziek in ons opnamen. Als wij dan later deze muziek nabootsten op het speelterrein van de straat waar we woonden, voelden we een diepe verwantschap met de muziekgoden die we vereerden. Deze verering ging diep, misschien wel dieper dan de godsverering die gepropageerd werd door de Rooms-Katholieke kerk waarbinnen wij opgroeiden.

 

Op de middelbare school ontdekte ik andere muziekvormen als jazz, blues en klassieke muziek. De popmuziek bleek toen evenwel een grote verrassing in petto te hebben in de persoon van Bob Dylan, die ik in de derde klas Gymnasium bij een vriendje ontdekte en die sindsdien mijn idool is gebleven. Ik besloot zijn muziek te gaan naspelen en kocht van het geld dat ik met een krantenwijk verdiende een gitaar en mondharmonica. In Dylan herkende ik veel en ervoer bij hem tevens zoveel nieuwe ervaringen dat ik daarmee mijn hele leven bezig ben geweest. Hij maakte mij bewust van dwingende patronen die het leven van jonge mensen kunnen bepalen en waaraan ze zich moeilijk kunnen ontworstelen. ’I was so much older then, I’m younger than that now’, zingt hij bijvoorbeeld in het lied My Back Pages. Door Dylan kon ik oude veren afschudden en als een feniks met hernieuwde energie door het leven gaan.

 

In mijn werkzame leven raakte de belangstelling voor en deelname aan muziek meer op de achtergrond. In de loop van mijn carrière hernieuwde deze belangstelling zich echter weer en werden zaadjes ingeplant voor een verdere muzikale en spirituele ontwikkeling. Op jubilea van collega’s en vieringen van vrienden en familieleden zong ik regelmatig zelf geschreven feestliedjes op de wijs van een lied van Dylan, meestal Blowin’ in the Wind. Op de camino trad, tot mijn verrassing, muziek nog meer op de voorgrond.

 

Op de camino had ik geen gitaar meegenomen. Dit had ik voorheen wel gedaan op mijn liftvakantie naar Ibiza aan het begin van mijn studententijd. Hoogtepunt toen was het zingen van het lied The House of the Rising Sun, op een romantisch-nachtelijke overtocht per boot naar Noord-Afrika. De volgende ochtend kreeg ik veel ontroerende en positieve reacties. Ik voelde me toen een jonge hobo die in de voetsporen van Dylan trad. Ook op de camino had ik het gevoel in de voetsporen te treden van Dylan en beleefde ik een nieuw muzikaal hoogtepunt door het schrijven van de Song to Santiago op de melodie weer van Blowin’ in the Wind.

 

In een albergue zag ik op een avond een gitaar liggen en begon daar op te spelen. Ik kende enkele liedjes van Dylan nog een beetje uit mijn hoofd. Het zingen van Dylan-liedjes sloeg aan bij mijn mede-caminogangers en het idee ontstond om een camino-lied te maken. Dit lied zong ik voor de eerste keer ongeveer halverwege de camino in de albergue van Mansilla de las Mulas. Zoals te zien is op de You Tube-video (zoekterm ‘Song to Santiago Rambling Pete’) ontstond door het zingen een speciale sfeer, een soort verbroedering. Het lied maakte dat ik mij definitief toegelaten voelde tot de camino-gemeenschap die zich al vanaf dag 1 van het lopen van de camino was gaan vormen onder deelnemers die elkaar onderweg steeds weer tegenkwamen.

 

SONG TO SANTIAGO

How many steps are needed to reach

The city of Santiago?

How many friends will support us and teach

On our way to Santiago?

How many blessings are given to each

On our way to Santiago?

 

Refrein

The answer my friend is blowin’ in the wind

The answer is blowin’ in the wind.

 

How many churches are we passing by

On our way to Santiago?

How many birds hear we singing in the sky

On our way to Santiago?

How many tears are we gonna cry

On our way to Santiago?

 

Refrein

 

How many times are we reaching a goal

On our way to Santiago?

How many times are we stepping in a hole

On our way to Santiago?

How many times are we saving our soul

On our way to Santiago?

 

Refrein

 

Op de camino was overal muziek te horen. Vogels zongen in de lucht, water maakte in kleine beekjes langs de weg murmelende geluiden, als je onderweg een café binnen stapte werd je door radiomuziek begroet en klonken de gesprekken tussen de mensen je als muziek in de oren na de lange periode van stilte die je tijdens het wandelen had ervaren. Eén dag lang werd ik ondergedompeld in gestaag neervallende, kletterende, ruisende regen en werden mijn stappen begeleid door heftige donderslagen. Dankzij mijn uitstekende regenkleding bleef ik droog en kon ik intens genieten van de sublieme natuurgeluiden om me heen.

 

Op andere tijden waren het weer cultuurgeluiden die op me inwerkten. ’s Ochtends werd ons ontwaken in de albergue begeleid door zacht klinkende, aangename religieuze muziek, die lichtjes door de gangen leek te zweven. Buiten als we weer op weg gingen werden we uitgeluid door kerkklokken en dezelfde kerkklokken verwelkomden ons weer op een andere plaats als we daar aankwamen. In de albergue van Carrion de los Condes werd ik bij aankomst verrast door de hartverwarmende zang van Augustijner nonnen. ‘s Avonds werd ook weer met zangbegeleiding een groepsritueel uitgevoerd dat ons camino-groepsgevoel aanmerkelijk versterkte. In het klooster van Samos heb ik genoten van prachtige Gregoriaanse muziek die de kerk vulde en mijn hart vol maakte. Weer heel anders waren de sprookjesachtige klanken die mij een keer tegemoet kwamen in de bossen onderweg en die afkomstig waren van de accordeon van een jongeman wiens liefje de caminogangers koffie en zoetigheden voorschotelde. Ook herinner ik me levendig het concert van klassieke muziek op het plein voor de kathedraal van Santiago, waar ik aan het einde van de camino naar luisterde met mijn vrouw die naar Santiago was overgekomen om me te begroeten. Samen ervoeren we een bijzondere verbintenis met alle andere mensen op dat plein die naar deze muziek luisterden.[7]

 

 

 

 

Noten

[1] Daniel Klein, De wijsheid van een tandeloze glimlach, 2016, p. 142.

 

[2] Ineke Albers, De god van het lopen, 2013, p. 253.

 

[3] FelixErkelens.nl

 

[4] Elias Amidon, The open path. Recognizing Nondual Awareness, Sentient Publications, 2012 (Nederlandse vertaling: Het open pad, Panta Rhei, 2024.

[5] Christiaan Weijts, Zeven mijlen langs de limes, 2022, p. 39.

[6] Wilma de Rek, Emeritus hoogleraar Auke van der Woud: ‘De negentiende eeuw heeft tot 1950 geduurd’, De Volkskrant, 17 februari 2022 (in krant: We leven in een luilekkerland, 19 februari 2022).

 

[7] Peter van der Doef, Met Bob Dylan naar Santiago, Jacobsstaf 121, maart 2019.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*