Geen werk, een vloek of een zegen?

| 1 reactie

Geen werk, een vloek of een zegen?

 

Toen mijn vader dertig jaar geleden 65 werd en met pensioen ging, is hij samen met mijn moeder uitgenodigd voor een cursus op de volkshogeschool. Daar werd hun voorgehouden en bediscussieerd hoe om te gaan met het nieuwe werkloze bestaan van mijn vader. Hij vond dat een zegen, maar men dacht dat het misschien voor mijn moeder een vloek was. Want als een man voortaan de hele dag thuis zit en zich met het huishouden gaat bemoeien kon het wel eens fout gaan. Je moest tot nieuwe rollen en taakverdelingen zien te komen.
Zo’n cursus van ‘Pensioen in zicht’ speelde een belangrijke rol bij ouderen die met pensioen gingen. Toch leek me dat voor ouderen minder problematisch dan voor jongeren. Als iemand van veertig zonder werk kwam te zitten, dan bood men geen cursus aan en was er geen hulp. Ik kende in die tijd een buurman van een paar huizen verder die zijn baan kwijt was maar wel elke ochtend op hetzelfde tijdstip met zijn trommeltje brood op de fiets stapte en de hele dag wegbleef alsof hij naar het werk was. Dat bleek best een creatieve oplossing en hij kreeg niet de status van een werkeloze. In vertrouwen vertelde hij me dat hij verre fietstochten maakte. Daar genoot hij van. Dat was een zegen. Maar het viel niet mee als het slecht weer werd. Dan ging hij liever naar het werk. Na een half jaar kreeg hij weer een baan.

De macht der gewoonte

Dat is tegenwoordig andere koek, want eenmaal zonder werk lukt het niet snel weer iets te vinden. Er wordt je geen cursus aangeboden. Er is geen begeleiding. Natuurlijk als je jong bent, ben je flexibel, in ieder geval meer dan oudere mensen. Maar je went aan laat naar bed gaan en uitslapen, en voor je het weet is het een gewoonte waar je moeilijk vanaf komt. Zo’n langdurig genestelde gewoonte maakt je gauw ongeschikt voor een gereguleerde baan.
Een leefpatroon is uitermate belangrijk. Mensen zijn voor een groot deel gewoontedieren. En iedereen weet dat gewoontes moeilijk te veranderen zijn. Daar is heel wat wilskracht en energie voor nodig. Om een gewoonte af te leren kun je soms beter een nieuwe gewoonte aanleren die de oude gewoonte verdringt. Dat is makkelijker. Dat zie je mensen doen die willen stoppen met roken of minder willen drinken. Zoek een alternatief, anders is de verleiding groot in het oude patroon te vervallen.
Wie werkloos wordt valt in een gat. Het vaste leefpatroon wordt doorbroken en je moet op zoek naar een ander ritme. In eerste instantie voelt dat als vakantie. Een zegen! Je hoeft niet op tijd weg, je kunt uitslapen en doen wat je wilt. Maar dan komt de uitkering, de plicht om werk te zoeken, de vernedering door ambtenaren en de neerbuigende manier waarop familie en vrienden je werkeloze status benaderen. Een vloek! Je gaat jezelf als nutteloos beschouwen. Soms ben je boos dat je bent ontslagen omdat de directie van het bedrijf er een potje van heeft gemaakt, of omdat tientallen sollicitatiebrieven geen donder helpen. Dat maakt je in de regel passief. Je komt tot niks. Vaak ontglipt je alle creativiteit en je legt je neer bij de situatie. Dat gedrag nestelt zich als een gewoonte waar je moeilijk vanaf komt.
Wie een jaar werkloos is heeft zich meestal gewoontes aangeleerd die blokkerend werken voor het krijgen van werk. Buitenstaanders zeggen dan dat iemand niet meer wil werken, dat hij of zij te lui is om de handen uit de mouwen te steken. Men heeft weinig oog voor een van de grondwetten van menselijk gedrag, dat meer dan tachtig procent van onze gedragingen gewoontes zijn.
In plaats van een baan aan te bieden zou ook ondersteuning nodig zijn bij het oefenen van gewoonte doorbrekend gedrag. Waarschijnlijk is de cadans voor een deeltijdbaan makkelijker op te pakken dan die van een fulltime job. Maar hoe langer men werkloos is hoe moeizamer het in de regel gaat om weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen. De omstandigheden en vooral iemands karakter spelen een rol. Doch uitzonderingen gelden slechts voor de enkeling.

Is werken een vloek?

Er bestaat veel weerstand tegen langer doorwerken en een latere AOW. In de discussie over al dan niet vervroegd uittreden betogen vakbondsbestuurders dat mensen het recht hebben om na veertig jaar hard werken ermee te stoppen. Menigeen klaagt over moeilijke arbeidsomstandigheden. In de praktijk blijkt dat er maar weinig mensen te zijn voor wie werk ook hun hobby is. Ik schat dat dit percentage hooguit 15% van de werkende beroepsbevolking is. Dat zijn de uitverkorenen. Voor velen geldt de Bijbelse uitspraak: in het zweet des aanschijns je brood verdienen. Werken is een vloek. ‘Nog een paar jaar en dan kan ik eindelijk stoppen’, zegt een oud collega. ‘Ik zal blij zijn als mijn werk er op zit, hoor ik de buschauffeur zeggen. “Regels en voorschriften zijn tegenwoordig veel belangrijker dan mensen’, fluisterde een directielid van een psychiatrisch ziekenhuis me laatst toe.’ Werken doe je niet voor je plezier, zei een schoonmaakster laatst in de sporthal.
Werk is noodzakelijk maar vaak is het niet leuk. Je kunt verslaafd zijn aan je werk hoewel het niet je hobby is. Je doet je plicht. Er moet brood op de plank. Handen uit de mouwen, zweet op je voorhoofd, doorzetten, er tegenaan. Het gaat er niet om of je het leuk vindt. Er is veel onrechtvaardigheid op de werkvloer waar de een drie keer zoveel verdient dan de ander die juist veel meer doet. Je krijgt opdrachten van iemand die van het werk feitelijk niks weet, maar jou de les leest en zegt hoe je het moet doen. Er zijn collega’s die de zaak besodemieteren, een wit voetje hebben bij de baas en anderen zwart maken. Maak je niet druk, het is maar je werk en straks kun je naar huis, dan zit de tijd erop.
Voor menigeen is werk echt geen zegen.

Een paradox

In de politiek en in de nieuwsmedia hoor je niets anders dan dat werk een groot goed is. De hoge werkloosheidcijfers zijn een schande voor de maatschappij. Men stimuleert allerlei initiatieven om nieuwe banen te creëren. Gemeenten moeten mensen in dienst nemen om klusjes op te knappen.
Er ligt een zekere paradox in de benadering van werk als groot goed en werk als een vloek of noodzakelijk kwaad. Dat laatste is trouwens moeilijk bespreekbaar. Wie zegt dat het heel belangrijk is een baan te hebben moet niet tegelijk zeggen dat het klote is. Dat kan niet. Dan ligt het aan de arbeidsomstandigheden. En dat is niet hetzelfde als werk. Het werk is goed, maar de omstandigheden zijn slecht. Dat de werkomstandigheden een wezenlijk onderdeel uitmaken van het werk doet niet ter zake. Je moet genuanceerd denken, houden politieke professoren ons voor. Theorie is belangrijker dan praktijk.
Maar als de praktijk is dat veel mensen met tegenzin naar hun werk gaan en verlangend uitzien naar vakantiedagen, dan zou daar meer onderzoek naar moeten plaats vinden zodat er een theorie komt die meer aansluit bij de praktijk. Maar wie betaalt zo’n onderzoek? Wie heeft daar belang bij? In een tijd van hoge werkloosheid gaat het vooral om onderzoek naar meer werk en niet om de vraag of dat werk nu leuk is of niet.
Opiniemakers en trendwatchers houden ons voor dat het niet leuke en saaie werk verdwijnt. Dat wordt allemaal geautomatiseerd. Er worden robots ingezet die het saaie en geestdodende werk overnemen. Voor het dweilen van vloeren bestaan robots. In de gezondheidszorg experimenteert men met robots die ‘goede morgen’ zeggen en de wensen van de patiënt opnemen om vervolgens daar geprogrammeerd op te antwoorden. In de industrie worden de knoppen door robots bediend. Drones dringen binnen in het vliegverkeer. Met andere woorden, het beroerde werk verdwijnt. Het werk dat overblijft wordt daardoor alleen maar interessanter en spannender. Maar is er dan nog wel genoeg werk om iedereen een baan te geven en de werkloosheid te minimaliseren? Bouwen we geen luchtkastelen door mensen voor te houden dat ze allemaal moeten werken en dat er voldoende werk is voor iedereen? Je zou denken dat als er steeds meer robots komen, mensen daardoor minder hoeven te werken. Misschien wordt het zaak dat we het werk dat er is eerlijk verdelen. Wanneer je ouderen langer laat werken, wellicht zelfs tot hun zeventigste, dan betekent dit dat jongeren niet meer aan de bak komen. Misschien is dat voor beide groeperingen een vloek.

Alternatieven voor de toekomst?

Misschien gaat het bij de discussie over werk en werkloosheid niet zozeer om het werk dat moet worden gedaan als wel om het bezig zijn, je nuttig voelen en vooral ook om het geld dat je ermee verdient. Het werk zelf is daaraan volkomen ondergeschikt. In veel gevallen blijkt het een noodzakelijk kwaad. In de supermarkt hoorde ik een vrouw tegen een oude bekende zeggen: ‘Ik moet er niet aan denken dat ie zijn baan kwijt raakt want dan heeft ie niks meer om handen. Dan word ik gek.’ Maar als die baan wordt opgeheven omdat het werk niets meer voorstelt en geheel overbodig is geworden, dan zou je hopen dat men die baan handhaaft omwille van zijn echtgenote, omwille van het bezig zijn en de gewoonte die diep ligt ingeslepen. Misschien ligt daar de toekomst als een groot deel van het eigenlijk werk uit handen wordt genomen door computers en robots. Dat scheelt uren, dagen en vaak maanden werk. Op den duur verdienen die robbots misschien ook wel het geld voor ons. En dan kunnen wij het werk doen dat minder inspannend is, minder zweet en tranen kost, en misschien meer zinvol is. Je kunt dan denken aan een basisloon voor iedere burger die zich verdienstelijk maakt met zinvol werk en geen ander inkomen heeft.
In plaats van dat straks 20% van de jongeren werkloos is omdat veel werk geautomatiseerd wordt en het andere werk door ouderen wordt gedaan die langer doorwerken, vind ik de instelling van een soort sociale dienstplicht voor degenen van school komen en geen baan kunnen vinden een redelijk alternatief. Dat voorkomt terechte protesten van jeugdigen, komt tegemoet aan hun kritiek en werpt wellicht ook een drempel op tegen radicalisering. Iedereen die zich op enigerlei wijze inzet voor de maatschappij kun je vanaf het zestiende of achttiende jaar een basisloon geven. Ook naar school gaan en verder studeren zie ik als je verdienstelijk maken voor de samenleving. Het betekent je talenten gebruiken. Jongeren die ouderen leren met hun nieuwe telefoon en laptop om te gaan verdienen een basisloon.
Het vele vrijwilligerswerk dat nu gebeurt is slechts mogelijk als iemand een bepaald inkomen heeft. Dat vervangt feitelijk het basisinkomen. Maar dat kun je anders structureren. Dat vraagt echter een ander financieel systeem. Je zou verwachten dat de vele economen die er zijn creatieve oplossingen bedenken om bijvoorbeeld het hele uitkeringssysteem te veranderen, om voor werkeloze en werkloze jongeren alternatieven te zoeken, zinvol werk waar de samenleving behoefte aan heeft. Of dat ouderen met een goed pensioen werklozen kunnen adopteren of ingezet worden om kinderen verhalen te vertellen over hun jeugd en dingen die ze hebben meegemaakt. Immigranten kunnen met of zonder tolk verhalen op middelbare scholen vertellen over een andere cultuur en een andere opvoeding.
In tijden van verandering is er creativiteit nodig, kunnen er nieuwe paden worden ingeslagen. Soms krijg je de indruk dat mensen hun vindingrijkheid alleen nog maar in het illegale en criminele circuit kunnen inzetten omdat de gewone samenleving zit dichtgetimmerd met regels en wetten uit een voorbij tijdperk. Als dat lang duurt is een revolutie onvermijdelijk.
Dat is dan voor sommigen een vloek, voor anderen een zegen!

Henk Prenkiwaal


Eén reactie

  1. Ik ben het eens met u denkwijze voor mij was het een zegen toen ik 3 jaar geleden zonder werk kwam , mijn vrouw was ernstig ziek en ik kon het gezin, draaiende houden, gelukkig is het goed afgelopen met mijn vrouw, en nu ben ik al weer heel lang op zoek naar werk, de baan die ik had was op het laatst een drama, nieuwe managers en regels die je voor een kind aanhoud en niet voor iemand van over de 50.

    Maar ja nu wordt het wel moeilijk werk te vinden ik heb vrijwilligers werk gedaan in het zieknhuis als gatheer en werk momenteel als vrijwilliger (activiteitenbegeleider) bij een stichting voor mensen met een niet aangeboren hersenafwijking, heel leuk om te doen maar ja ik verdien hier natuurlijk niets mee.
    Momenteel zit ik bij een reintegratieburo maar ja nar een legio sollicitaties die ik zelf vindt, is er nog niets uitgekomen. Ik blijf maar vrolijk want ja bij de pakken neerzitten heeft geen effect.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven