Feuilleton – 51 – Du vin, du pain, du pindakaas : Het vuur uit zijn sloffen lopen

| Geen reacties

Feuilleton – 51 – Du vin, du pain, du pindakaas : Het vuur uit zijn sloffen lopen

Faire feu des quatre fers

Het vuur uit zijn sloffen lopen

Dan is het oktober en verandert langzaamaan het groen van de bossen in prachtig oranje, vooral de lariksen zijn onwaarschijnlijk mooi. Het huis warmt niet meer op en de kachel brandt nu dag en nacht. Het is een oude Laura kookkachel en we noemen haar dan ook Laura. En wat kan die dame heet zijn! Voor het slapengaan prop ik de kachel helemaal vol. De blokken passen vandaag niet lekker en er zit naar mijn zin te veel nutteloze ruimte tussen. Ik vis de nog niet brandende stukken er met de haardtang snel weer uit en prop Laura helemaal vol met stukjes afvalhout van de verbouwing. Eigenlijk bedoeld als aanmaakhout, maar we hebben er zo veel van, het kan vast geen kwaad. Gezellig knetterend vatten de blokjes snel vlam. In mijn slaapshirt geniet ik bij de heerlijke warmte van een wijntje, mijn blote voeten lekker opgetrokken op de schommelstoel, starend in de felle vlammen die het ruitje helemaal schoonbranden. Vuur, warmte, een van de eerste levensbehoeften die de mens al anderhalf miljoen jaar intrigeert.

Ik open het deurtje nog eens om de leeggevallen plekjes extra te vullen met houtjes. Door de intense hitte kan ik nauwelijks de houtjes fatsoenlijk op hun plek duwen. Laura trekt lekker fanatiek vandaag. Het is ook goed ‘trek’-weer. Buiten woedt een regenstorm en de wind raast en loeit door de pijp. Ik sluit het ruitje, draai het luchttoevoerklepje dicht en wacht een paar seconden tot Laura rustiger gaat branden, maar ze blijft loeien. Het geluid is eigenlijk angstaanjagend. Nogmaals open ik het luikje in de hoop door extra lucht het vuur zijn trek te ontnemen, maar het tegenovergestelde gebeurt. De vlammen razen nog harder. Nou ja, het zal wel betijen. Die houtjes zijn zo meteen toch opgebrand. Ik ga naar bed.

Als ik de lichten in de keuken uitdoe en omkijk naar de nog steeds razende kachel, schrik ik me lam. In het nachtelijke donker van de keuken, waarin alleen de energiezuinige lamp af en toe nog opflikkert, staat de pijp van Laura roodgloeiend! De hele buis straalt een onwerkelijk licht uit. Laura heeft letterlijk de vlam in de pijp. Merde! Wat nu? Erik is met de honden buiten de laatste ronde aan het lopen. Ik moet blussen. Water. Snel vul ik een mok met water, open het ruitje en mik het water naar binnen. Fout! Het vuur transformeert het veel te weinige water onmiddellijk tot een brullende kolom stoom, die horizontaal door het nog openstaande luikje rakelings langs mijn blote knie naar buiten spuit. Ik gil van schrik en Erik die net terugkomt, staat met een paar grote passen geschrokken naast me. Hij overziet snel de situatie, duwt me weg, vist meteen met de haardtang brandende blokjes eruit en laat ze in de ijzeren haardemmer vallen. Als de emmer halfvol is lijkt het razen af te nemen en mijn dappere redder kiepert de emmer in zijn geheel en met zijn nog brandende inhoud op het erf in de regen, waar het met veel wolken stoom een sissende dood sterft.

Geschrokken staan we allebei nog een poosje te staren naar de ineens niet meer zo onschuldige Laura en in het vervolg stoppen we haar voor het slapengaan vol met jonger nog vers hout dat minder snel opbrandt en zodoende kan de kachel de nacht door branden.

Ondanks dat Laura en ik niet meer de warmste vriendinnen zijn, is het eerste wat ik ’s morgens doe, haar aanmaken. Oppoken tot de met as bedekte verkoolde stukjes hout weer gloeien, oude bruinpapieren voerzak zonder drukinkt erop, wat tot splinters gehakte aanmaakhoutjes, grotere blokken erbij, luchtschuifje open en de dame trekt dat het een lieve lust is. Mocht ze niet aan willen gaan dan heb ik nog altijd mijn alume feu achter de hand. Een lavasteen, of kurken, gedrenkt in lampolie die een kwartier kunnen branden en al het schijnbare onbrandbare hout en papier wel in de fik krijgen.

Gedurende de hele dag blijven we de altijd hongerige kachel voeden. Met gemak eet ze een kruiwagen vol hout op. De droge houtvoorraad van de vorige eigenaar slinkt zodoende snel. We gaan bij de buurmannen te rade waar zij hun stookhout vandaan halen.

‘De meeste mensen hier hebben hun eigen bos’, legt Jean-Pierre vanachter zijn Ricard uit. Alleen een vraag stellen kan bij hem niet, even gezellig binnenkomen en om tien uur aan de alcohol hoort erbij. ‘Maar u hebt toch ook bomen?’ schiet hem ineens te binnen.

‘Ja, maar we gaan die mooie eik niet omzagen.’

‘Nee, ik bedoel de rand bomen langs de weg, daar haalt u ook nog wel genoeg uit.’

‘Zijn die bomen van ons?’ vragen we in koor verbaasd. De ene helft van ons land grenst aan een publiek karrenspoor. Tussen de wei en de weg ligt een beboste berm van een meter of vier breed.

‘Wist u dit dan niet?’

‘Wij dachten dat het een stuk van de gemeente was.’

‘Het gebeurt wel vaker dat jullie buitenlanders meer kopen dan je weet. Een poos geleden wilde die Engelsman van verderop die schuur bij hem aan de overkant kopen. Hij woont er al vijf jaar. Het was hem opgevallen dat er al vijf jaar niemand bij die schuur was geweest. Ging hij informeren van wie die schuur was. Van hemzelf. Wist-ie niet! Dus die bomen zijn van u. U moet het onderhouden’, zegt hij alsof het een last is, terwijl wij deze surprise met open armen ontvangen! In Nederland kijk je op iedere centimeter grond, en hier heeft de vorige eigenaar gewoon niet de moeite genomen zijn hek om die ‘lastige’ bomen heen te zetten, waardoor wij dachten dat die grond niet van ons was.

‘Maar als u nú gaat kappen, is het niet op tijd droog. U bent laat.’ Na een slok vervolgt Jean-Pierre peinzend alsof hij de details van de ramp nog voor zich ziet: ‘Iedereen heeft eigenlijk nog genoeg hout door De Grote Storm. Hoeveel hebt u nodig?’

‘We redden het nog wel een tijdje,’ antwoordt Erik, ‘maar ik weet niet of we het einde van de winter halen.’

‘Ja, jullie voorgangers hadden bijna niets meer liggen weet ik. Je hebt voor jullie huis toch wel zestien kuub nodig per seizoen. Droog stookhout is belangrijk. Kastanje is fijn hout om op te koken. Het geeft direct veel vlammen. Eiken geeft juist gematigder maar langer warmte. Beuken ook, maar die splijten zo lastig. Berken heb je alleen gelijk het eerste jaar iets aan, die hebben na een jaar geen brandwaarde meer. Dennen wil je niet hebben, want door de hars koekt je schoorsteen snel aan en groeit hij dicht en bovendien spat het teveel. Ik heb goed gemengd stookhout. U kunt bij mij wel une corde kopen als u dat wilt.’

‘Wat is dat?’ vraagt Erik.

Ik blader ondertussen in het zakwoordenboekje en vind: ‘een vadem’. Hoeveel is in hemelsnaam een vadem?

Jean-Pierre is al aan het uitleggen: ‘Dat is een stapel hout van vier bij vier bij acht voet. Hier althans. In de steden rekenen ze weer anders. U moet het nog wel zelf splijten en verzagen.’

Wat antiek nog om in vadems en voeten te rekenen! ‘Een voet is dat niet ongeveer dertig centimeter?’ vraag ik.

Buurman knikt.

‘Dus ongeveer 1,20 bij 1,20 bij 2,40’, reken ik hardop in het Frans.

Oui, environ 3,60 mètre cube. C’est cent mille Francs.

Ik moet het verkeerd verstaan hebben. Heel ruw omgerekend is dit zestienduizend euro! ‘Hoeveel? Honderdduizend franken? Zestienduizend euro?’ vraag ik hem daarom.

Hij knikt, maar voegt toe: ‘Ohpff, in euro’s weet ik het niet, dat vind ik te moeilijk. Als u het te duur vindt weet ik nog wel Engelsen die iemand zoeken om de stormschade in hun bos op te ruimen.’

Ergens moet er een misverstandje in de berekening zitten, maar ik laat het even voor wat het is. Ik vraag wie de Engelsen zijn, mogelijk kennen wij ze ook. Als we niet meteen begrijpen over wie hij het heeft, probeert de ouwe snoeper de diverse Engelse stellen uit te duiden aan de hand van de boezems van de dames! We krijgen gelukkig ook nog uitgelegd waar ze wonen en vol goede moed gaan we op pad. We treffen bijzonder aardige zeventigers, John en Liz, die enorm blij blijken te zijn met onze vraag om hout. Zij hebben een bosperceel waarvan een groot stuk helemaal omgewaaid is in De Grote Storm. Vanwege de vele op te ruimen stormschadegevallen is er geen personeel te krijgen dat voor hen wil werken. Iedereen heeft genoeg aan zijn eigen schade en zodoende dus ook voldoende hout. Fysiek zijn zij zelf niet meer in staat om het zware kapwerk te doen.

We gaan samen met hen het bos bekijken en het is op zijn zachtst gezegd een uitdaging. De puinhoop is verschrikkelijk. Honderden bomen liggen kriskras door elkaar op manshoge stapels. De kruinen van omgevallen kastanjebomen zijn ondoordringbare takkenbarrières. Waar eerst de voeten van de bomen tot diep in de grond geworteld zaten, hebben zich nu enorme kraters gevormd. Uit de omgevallen metershoge kluiten steken de wortels doelloos horizontaal opzij. Een aantal wortelkluiten op een rij vormt gewoon een dikke aarden muur. De ravage is enorm en triest om te zien. De storm heeft geen onderscheid gemaakt in dode of levende bomen. Alles op zijn weg heeft hij vernietigd.

‘Wat een chaos. Ik weet niet of wij wel de juiste personen zijn om dit op te ruimen. We hebben geen kettingzaag, en totaal geen ervaring met de boomkap.’

‘Hier in Frankrijk geen kettingzaag? Dat móét je echt hebben hier hoor. En wij leren je wel hoe je het moet doen. We hebben altijd zelf dit bos beheerd, maar dit is gewoon te veel voor ons’, vertelt Liz.

‘Wat hadden jullie qua betaling in gedachten?’ vraag ik.

‘Gelijk oversteken, een dag werk voor een corde hout.’

Aha, hier ligt mijn kans nog eens te vragen naar hoeveel zoiets moet kosten: ‘Hoeveel is dat waard? Mijn buurman moet zich vergist hebben en had het over zestienduizend euro.’

Er wordt hartelijk gelachen. ‘Zeker een ouwe man?’ vraagt Liz.

Ik knik.

‘Die ouwetjes weigeren om met de ‘nieuwe’ franken te rekenen, laat staan met euro’s. Ze rekenen nog in antieke franken van voor negentienhonderdzestig. Toen zaten er nog twee nullen extra bij. Honderdzestig euro is niet slecht hoor. Het is de normale prijs hier. Dus als jullie met zijn tweetjes een dag werken, mag je een vadem hout mee naar huis nemen. Allereerst moeten er een stuk of vijftig grote omgevallen eiken vrijgemaakt worden. Die hebben we verkocht om te laten planken. Omdat je hier niet met een tractor of vrachtwagen kan komen, komt er een man met zijn trekpaarden die eiken ophalen. Wij zouden hem een seintje geven als ze vrij zijn, dus wat ons betreft kunnen jullie gelijk beginnen als je wilt’, babbelt Liz aan één stuk door.

‘Oké, we zien dit avontuur wel zitten, maar we komen alleen als het weer goed is’, zegt Erik.

‘Uiteraard, met regen is het veel te gevaarlijk om met een kettingzaag te werken’, beaamt John.

We beloven zo snel mogelijk een kettingzaag met bijbehorende attributen te gaan kopen en ze dan te bellen. Na een keer helemaal voor niets naar Villeneuve te zijn gereden omdat de grote bouwmarkten en met hen vele andere winkels begin oktober gesloten zijn in verband met inventarisatiedag, gaat er een heel nieuwe wereld van houtkap voor ons open. Stoer zo’n kettingzaag! We gaan op zoek, maar ver hoeven we niet te kijken. Het valt ons nu pas op dat je, in tegenstelling tot in Nederland, overal kettingzagen met toebehoren kunt kopen. Na wat rondstruinen, schaffen we bij de Castorama een Husqvarna aan met een blad van vijfenveertig centimeter. Er zijn wel langere bladen, maar hier hebben we al genoeg ‘Texas Chainsaw massacre’-gevoel bij en tenslotte zijn we nog maar beginners. Jerrycans superbenzine en speciale kettingzaagolie vullen het winkelkarretje lekker op. De ketting moet verder regelmatig geslepen worden, dus een slijpmachientje en losse vijlen horen er ook bij. Een helm met schattige oranje oorwarmers tegen de herrie en een spatscherm, een veiligheidsbroek, speciale beschermhandschoenen en natuurlijk werkschoenen met stalen neuzen moeten ook aangeschaft worden. Natuurlijk moet ook ik een helm, gehoorbeschermers, werkschoenen en handschoenen, maar hoe we ook zoeken, werkschoenen in damesmaat zesendertig zijn in de winkels niet te koop, die zullen uit Nederland moeten komen. Dameswerkhandschoenen, behalve om rozen te snoeien, kunnen we evenmin vinden. Gelukkig bestaan er wel kinderhandschoentjes van het merk Aider papa waar ik in pas! Al met al verlaten we de winkel met een starterpakket van een ruime duizend euro. Gauw rekenen levert op dat we met twee seizoenen zelf kappen deze kosten eruit moeten kunnen hebben. Het geeft een heerlijk back to basics-gevoel, zo in je eigen warmte te kunnen voorzien.

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


*


Naar boven