Feuilleton – 28 – Du vin, du pain, du pindakaas : In de put zitten

| Geen reacties

Avoir le moral à zéro

In de put zitten

Het is donderdag en we staan weer in de donkere kamer van de notaris. Hadden we echt verwacht dat het tekenen door zou gaan?

‘Hebt u de cheque?’

We snappen er helemaal niets van. ‘Een cheque? Het geld vanuit Nederland is toch op uw rekening bijgeschreven?’in de put

‘Nee, dat wordt op uw eigen rekening gestort van uw bank alhier en u betaalt mij met een cheque. En als u geen cheques heeft, kunt u die via de bank aanvragen.’

Inmiddels gewend aan papieren rompslomp gaan we bij de bank een chequeboek vragen. Het zal ons zo spoedig mogelijk worden opgestuurd. Gedesillusioneerd rijden we weer op huis aan. Verder voornemen voor die dag: betonnen plaat van de oude put wegschuiven en kijken hoeveel water er in de put staat.

Met koevoeten krijgen we de loodzware betonnen plaat verschoven. Een muffe lucht walmt omhoog. Vol spanning schijnen we met de zaklamp. Wat een teleurstelling. Geen druppel water! De put blijkt niet zo diep en de langste ladder kan precies op de bodem staan. Gewapend met een zaklantaarn daalt Erik af onder de grond.

‘Er ligt alleen maar troep’, klinkt het gedempt van ver beneden.

‘Wat voor troep?’

‘Flessen, stenen, zooi.’

‘Ik pak wel een emmer met het touw, dan aker ik de rommel wel omhoog.’

De verwachting dat we snel op de werkelijke bodem van de put zitten, komt niet uit en ik aker emmer na emmer troep omhoog en leeg het in de trailer.

Het werken in de bedompte kleine ruimte valt niet mee en we wisselen af. Enig voordeel is dat het lekker koel is beneden. De voorwerpen die omhoog komen beginnen steeds vreemder te worden. Kapot vaatwerk, pannen, een theepot, van die oude platte vierkante batterijen, medicijnstrips, potjes met pillen, de helft van een kunstgebit! Gestaag graven we door in de vuilnisbelt. Er zal toch een eind aan moeten komen, zodat we water raken.

De ladder is al een stuk gezakt en komt niet meer bij de rand van de put. We bouwen een houten stellage boven de put waar we het lange touw omheen slaan, zodat we toch de laatste meters uit de put kunnen klauteren.

‘Ik denk dat we nu bijna water hebben’, roept Erik vanuit de diepte. ‘Nog maar weinig stenen. Het wordt zachter en begint een beetje te stinken.’

Ik kijk naar beneden, naar de zwarte schim met het zaklampje: ‘Hoezo stinken?’

‘Beetje rotte-eierenlucht.’

Ik takel weer een emmer omhoog. Ondanks het smerige werk kijk ik wel steeds verwachtingsvol in iedere lading. Je weet maar nooit wat er nog bij kan zitten. Het is toch een soort schatgraven. Als de emmer het donker verlaat, ligt erin wat het licht niet kon verdragen. Blonde haren! Van schrik laat ik het touw uit mijn handen glippen. Nog voor de emmer neerstort op het hoofd van mijn geliefde, kan ik het touw weer grijpen. De emmer kiept echter en de lading valt eruit.

‘Ja lekker, dank je wel’, klinkt het verontwaardigd uit de diepte.

Ik wil nog even geen conclusies delen en laat Erik in het ongewisse. Voorbereid op het ergste wacht ik op het teken dat ik de emmer weer op kan halen met zijn nieuwe lading. Inderdaad ligt er haar in de emmer. Geen scalp zoals het eerste leek, maar een deel van een vachtje. Geelbruin gevlekt. Er moeten dieren in de put ‘gevallen’ zijn. Ik gruwel bij de gedachte.

‘Kun je zien wat er ligt?’ roep ik.

‘Nee, te donker, maar het stinkt walgelijk. Moet zo stoppen, ga bijna over mijn nek.’

We werken nog even door en in veel emmers komen delen van gevlekte vachtjes naar boven. De laatste emmers zijn onthaard.

‘De stank is zeker minder nu?’ vraag ik over de rand van de put gebogen.

‘Ja, we hebben weer een ander soort laag aangeboord.’

‘Komt omdat de lijken nu boven zijn!’

Nadat ik nog twee keer luider heb herhaald wat ik zei, hoor ik een paar vloeken en zo vlug heb ik Erik vandaag nog niet uit die put zien klauteren. En vol afgrijzen staan we samen naar de resten in de trailer te kijken. Jonge hondjes of katjes. Te veel verschillende jonkies om er toevallig in gevallen te zijn. Fransen verzuipen overtollige jonge dieren. Maar doe je dit dan in een put waar je drinkwater uit haalt? Het moet al in de tijd geweest zijn dat er leidingwater was. De put raakte uit de gratie en werd gebruikt als vuilnisbak.

Voor een dag is het wel genoeg smerigheid, na een douche spoelen we de ellende weg met een goede fles wijn. Ter voorkoming dat er nog twee hondenvachten in de put belanden, schuiven we de betonnen plaat weer terug.

Laat die avond liggen we op de put te kijken naar de sterren. Onder ons het verderf, boven ons de puurheid van het schitterende heelal. Er is geen maan, en we zien sterrennevels en de Melkweg.

De volgende dag gaan we verder met graven in de put. Het wordt drabbig. Sowieso moeten we nu beschermende kleding aan. Kaplaarzen en een regenpak tegen het smerige zwarte water dat van de emmers drupt en een bouwhelm tegen dingen die uit de emmer kunnen vallen als deze ongecontroleerd een deel van zijn lading verliest bij het tegen de muur slaan.

Dan staat Jean-Pierre ineens achter me, hij komt een brief van de Nederlandse notaris brengen. Hij verontschuldigt zich dat hij de envelop heeft opengemaakt. Hij had niet verwacht dat hij voor ons was, ‘Maar,’ voegt hij eraan toe, ‘ik kon hem toch niet lezen.’ Hij maakt van de gelegenheid gebruik eens te kijken wat we aan het doen zijn en schijnt in het geheel niet verbaasd dat de put als afvalvat gebruikt is. Hij snapt onze verontwaardiging niet. Wel komt hij even later terug met een gasmasker nog uit de oorlog, voor Erik, omdat hij denkt dat de gassen die uit de drab opstijgen gevaarlijk kunnen zijn. Inmiddels gaat alleen Erik nog naar beneden. De laatste meters touwklimmen zonder ladder lukt mij niet meer. Hij werkt een uur op, en een uur af. Na iedere keer spuit ik hem met regenpak en al af met de tuinslang. De douche is nog nooit zoveel gebruikt op een dag. Het werk gaat steeds langzamer en het kost nog het hele weekend om eindelijk op ruim tien meter diepte de bodem, gemaakt van twee platte stenen, te bereiken. Pikzwarte vloeistof vult langzaam telkens een laagje van een paar centimeter. Misschien kunnen we het nog gebruiken als stookolie, maar op maandag hebben we water! Nog smerig, maar het is water.

 

Nu nog de troep uit de trailer kwijtraken. Jean-Pierre weet in tegenstelling tot Jean-Claude te vertellen dat er bij Bagneux een echte vuilstort is. De sleutel kun je bij het gemeentehuis halen. Het is makkelijker om naar de vuilverbranding te rijden natuurlijk maar vooruit, laten we het eens officieel doen.

Nadat Erik zijn hoofd weer eens pijnlijk stoot aan de lage deurpost bij het gemeentehuis, kijkt een secretaresse ons wantrouwend aan als we zeggen dat we voor la déchetterie komen.

‘Wat gaat u weggooien?’

‘Huisafval dat in een put was gegooid.’

‘Dat moet in vuilniszakken bij het huisvuil. Het wordt ’s maandags opgehaald of u kunt het in de gemeentecontainers die aan de weg staan doen.’ Het klinkt trots alsof het bijzonder is dat hun gemeente zo goed toegerust is voor zijn burgers.

‘Het is ruim een kuub vuil, veel te veel voor vuilniszakken.’

‘Dan kunt u het wel bij ons kwijt, maar u moet het wel scheiden. Het ijzer en het plastic eruit halen enzovoorts.’

‘Maar het zit allemaal door elkaar gemengd!’ roept Erik uit. ‘Het is onmogelijk om dat eruit te vissen.’

‘Nou, dan moet u het ijzer en het plastic maar een beetje verstoppen onder de andere rommel.’

We debatteren door en met een zucht pakt ze een oud bijna volgeschreven schriftje uit een lade. In kolommen begint ze de datum, onze naam en het soort vuil te noteren.

Vous êtes d’où là?’ vraagt ze.

‘Doula?’

Oui, vous êtes d’où là? De-où-là…?’ herhaalt ze geïrriteerd langzaam en duidelijk.

Ik denk dat ze vraagt waar we vandaan komen en noem ons adres. Goed gegokt. We krijgen, onder dringende waarschuwing hem direct terug te brengen, de sleutel van het hek mee, maar ze komt niet mee naar buiten om te controleren of er bijvoorbeeld geen atoomafval in de trailer ligt.

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven