Vijftigplussers

| Geen reacties

Vijftigplussers

Wanneer je de vijftig bent gepasseerd, wordt je geacht een vijftigplusser te zijn. Zo spreek je ook over dertigplussers en veertigplussers: mensen die de dertig en veertig zijn gepasseerd. Maar bij vijftigplussers is iets meer aan de hand. Ook een gepensioneerde of een Drees-trekker zoals mijn ouders dat noemden, wordt tot de vijftigplussers gerekend. Zelfs een tachtigjarige noemde zichzelf laatst opgewekt een vijftigplusser.

Het lijkt de nieuwe naam voor ouderen om daarmee hun slechte imago wat op te poetsen. Er is ook een ouderenpartij die zich vijftigplus is gaan noemen. Misschien ook een poging om na al het gesteggel in het verleden van ouderenpartijen een nieuw en jong imago te krijgen. Ouderen of nog erger bejaarden hebben nu eenmaal een slechte naam`in een maatschappij waar alles jong energiek moet zijn. De dagelijkse reclame maakt ons duidelijk dat ook ouderen levenslustig en krachtig zijn. Eigenlijk mogen ze niet oud zijn en niet oud worden genoemd. Dat lijkt verboden. De duvel is oud. Daarom heten ze vijftigplussers, net vijftig geworden. Maar niet iedereen boven de vijftig is oud en niet alle ouderen zijn vijftigplussers.

Zeurpieten

Een jaar of tien geleden, tijdens een stagedag op de hogeschool waar ik toen werkzaam was, bleek dat er geen enkele student stage liep in het ouderenwerk. Toch waren er zo’n honderd stagebegeleiders van allerlei verschillende instellingen aanwezig. Vreemd dacht ik. Hoe kan dat nou? De voornamelijk (75%) vrouwelijke studenten wilden vooral werken met kinderen, met jongeren, met verstandelijk gehandicapten, ook met psychiatrische patiënten, met asielzoekers, vluchtelingen, zwervers, maar niet met ouderen. Wanneer ik vroeg waarom niet, zeiden ze dat ouderen niet leuk waren, dat ze overal om zeurden en dat je het nooit goed deed. Ouderen hebben altijd wat. Het zijn zeurpieten.

Ondertussen ben ik nu ook een oudere geworden. Wanneer ik informeer naar de voorkeur van het werk van jonge sociaal pedagogische hulpverleners, blijkt dat de situatie met vroeger amper gewijzigd is. Dat is om verdrietig te worden. In vroegere culturen waren ouderen wijze mensen die je om advies vroeg, die een voorbeeld waren in geduld en verdraagzaamheid; mensen die dingen konden relativeren, die de dood onder ogen konden zien en zich erop voorbereidden. Waarom zijn ouderen zo veranderd? Komt dat misschien door de politiek, door vakbonden en hulpverleners die ouderen als zielige mensen benaderden en waarvoor allerlei regelingen moesten worden getroffen. Ze kregen immers extra korting in het openbaar vervoer, korting in lidmaatschapsgelden voor het verenigingsleven (als je 55+ bent krijg je 50% korting bij de kaartclub, de kanovereniging, de bibliotheek).  Toen ik 53 was geworden kreeg ik als vijftigplusser een aanbieding voor tafeltje dekje. Dan hoefde ik geen boodschappen meer te doen, dan hoefde ik de deur niet meer uit! Allemaal veel makkelijker en goedkoper. U hebt er recht op, zei een mevrouw aan de deur. U hoeft zich niet te schamen, hoor. – Reclame van het slechte soort. Goed bedoeld, dacht ik toen. Hulpverlening slaat makkelijk over naar betutteling. Ik zat nog volop in het werk. Onze jongste was nog niet de deur uit.

Slachtoffers van de verzorgingsstaat?

Er werd (en er wordt misschien nog) te pas en te onpas tafeltje dekje aangeboden, extra vervoersmogelijkheden, aparte voorzieningen met als gevolg dat ouderen vooral rechten hebben, dat ze overal om vragen en beloond moeten worden voor het zware leven dat ze geleefd hebben; dat ze aandacht eisen, extra geld en aparte voorzieningen. Misschien zijn veel ouderen wel slachtoffer geworden van de verzorgingsstaat en komt het hard aan als daarin gesneden wordt. Misschien hebben ze het te goed gehad en hebben ze onvoldoende tegenslagen en ontreddering meegemaakt, hebben ze hun eigen persoon alleen maar nog meer tot middelpunt van alle bestaan laten uitgroeien. Ik weet het niet, maar soms denk ik dat veel ouderen slachtoffer zijn van een zichzelf hoog aanslaande bemoeizorg waardoor ze een verloren generatie worden. Natuurlijk gaat het hier om generalisaties. De aanduiding ‘vijftigplussers’ betekent een nog grotere generalisatie dan de naam ‘ouderen’. Er zijn ouderen in soorten en maten. Maar het gaat om beeldvorming die we met z’n allen tot stand brengen.

Het zijn niet alleen politici,bestuurders en hulpverleners die er hun bijdrage aan leveren, het is ook de dagelijkse berichtgeving, het zijn de media, tijdschriften, roddelbladen die eraan meewerken. Het zijn jongeren die zich door ouderen geblokkeerd weten, werkloos zijn of denken dat ze hun AOW moeten betalen. En natuurlijk de ouderen zelf die alleen maar oog hebben voor hun eigen belangenbehartiging en hun eisen stellen, zich belachelijk maken met een eigen politieke partij onder de naam van vijftigplus om daarmee de helft van de bevolking achter zich te willen scharen. Als oudere kun je daar tegenin gaan, maar je moet er ook rekening mee houden en weten dat het gebeurt. Iedereen benoemt zich graag tot uitzondering en kwijt zich vrij van elke bijdrage aan de beeldvorming. Er zijn ook uitstekende hulpverleners, niet betuttelende vrijwilligers, krachtdadige bestuurders en wijze ouderen, maar ze gaan ten onder in de algemene beeldvorming.

Aanvaarding

Vaak denk ik: neem mensen hun ouderdom niet af, probeer niet met hulp en goede bedoelingen de gebreken en tekortkomingen van ouderen weg te poetsen. En tegen de ouderen waartoe ik zelf behoor zeg ik: wees trots op de ouderdom,  trots op de gebreken, het moeilijk ter been zijn, de eenzaamheid. Dat is niet zielig, dat is de kern van het mens zijn, het niet meer alles kunnen doen, loslaten, het verdriet aanvaarden, het verbrandingspunt zijn waarin nieuw licht geboren kan worden.

Meer dan ooit zijn er hulpverleners nodig om oudere mensen lessen in trots te geven, ze niet te betuttelen maar te leren de situatie van het ouder en gebrekkig worden te aanvaarden. Aanvaarding vormt de essentie van iedere troost. Ook voor realiteitszin is het van belang de werkelijkheid te accepteren zoals die is, hoe moeilijk,onzinnig of onacceptabel die soms ook wordt ervaren. Daar is moed en energie voor nodig en niet zozeer verdovende extra voorzieningen die nooit voldoende zijn en altijd om meer vragen.

Aanvaarden betekent open staan, openstaan voor de werkelijkheid zoals die zich aandient. Aanvaarden is een moeilijk woord omdat je het op verschillende manieren kunt interpreteren. Daarom roept dat woord ook zoveel misverstanden op. Je kunt het actief of passief opvatten. Actief aanvaarden wijst op inzet en moeite doen. Je moet de nodige inspanning verrichten, kritisch zijn, afwegingen maken of je de opdracht zult aanvaarden. Dat aanvaarden gaat niet vanzelf. Passief aanvaarden daarentegen betekent je erbij neerleggen, de dingen accepteren zoals ze gaan, laten gebeuren. Dit is het tegenovergestelde van actief aanvaarden. Het gaat hier niet om het passieve aanvaarden. Eigenlijk ook niet zozeer om het actieve aanvaarden, want er is nog een derde, een paradoxale vorm.

Dat is een aanvaarden wat noch als actief noch als passief is aan te merken omdat het subject dat aanvaardt als het ware is verdampt. Dit aanvaarden sluit aan bij het Taoïstische wu wei. Een vreemd woord dat te vertalen is met ‘actie ondernemen zonder inspanning’ of  ‘handelen door niet te handelen’. Bedoeld wordt iets anders te doen dan wat de ogen van je verstand aangeven te doen, rekening houden met het unieke moment (kairos) dat meer is dan de herhaling van vorige momenten. Het is weten wanneer wel en wanneer niet te handelen. Wei wu wei gebeurt in harmonie met de natuur, jezelf, de anderen; staat in een voortdurende wisselwerking met omgeving en omstanders, is er mee verbonden, vormt er een eenheid mee.

In de beperking toont zich de meester

Het onvermijdelijke aanvaarden betekent de beperkingen aanvaarden, de beperkingen van onszelf, van anderen, van de hele wereld. ‘Aanvaard je beperkingen en ze zijn niet langer de jouwe’, luidt een Amerikaans spreekwoord. Het werkt bevrijdend, alsof er een last van je wordt weggenomen. Tegelijkertijd is het grensverleggend en paradoxaal dat de beperkingen wegvallen. Alsof de beperkte mens in een god of een godin verandert. ‘In de beperking toont zich de meester’, zeggen de Duitsers. Jeroen Brouwers brengt dat op een prachtige manier onder woorden bij de beperkingen van Vincent van Gogh.

‘Van Gogh kón helemaal niet schilderen en tóch schilderde hij, en hij heeft zijn hele bestaan gewijd aan het cultiveren van zijn beperkte talent: – hij stierf als een genie die in een paar kwartier een uit niets dan onvolmaaktheden bestaand volmaakt schilderij kon maken. Zoals hij in maar twee lijntjes, krankzinnig van haast, maar wel als het ware moeiteloos, die zwarte vogels schilderde, zo kan iedereen het, zogenaamd. Uit die paar haastige lijntjes blijkt hoezeer Van Gogh zijn onmacht heeft gesublimeerd, woekerend met zijn talent waarvan hij wist dat het klein en gebrekkig was, -waarna hij, die zelf bij wijze van spreken in zijn jonge jaren van de kunstacademie was weggejaagd omdat men hem er niet eens had kunnen leren hoe hij een potlood moest vasthouden, de leermeester werd van alle schildergeneraties die na hem kwamen.’ (Winterlicht, 1984) 

Wie zijn beperkingen niet echt ziet of niet wil zien, kan ze ook niet aanvaarden en niet sublimeren en overstijgen.

In ‘Aldus sprak Zarathoestra‘ van Nietzsche loopt de nieuwe profeet op een dag over de grote brug en omringen hem kreupelen, bedelaars en andere gehandicapten. Zij roepen dat hij hen kan genezen. Dat kan ik wel, zegt de nieuwe profeet, maar dat doe ik niet. Iedereen moet aanvaarden wie die is. Als ik een blinde zijn ogen teruggeef, wordt ie een ander. In plaats van rust en wijsheid uit te stralen, kijkt hij naar de vreselijkste dingen waarover hij zich kwaad maakt. Hij gaat vloeken en tieren en is er uiteindelijk veel slechter aan toe. Wanneer ik iemand die verlamd is weer laat lopen, verandert z´n leven totaal. Hij gaat ongetwijfeld dingen doen die het daglicht amper kunnen verdragen en hij vervloekt degene die hem heeft genezen. Wanneer een arme ineens rijk wordt, verandert ie gemakkelijk in een gierig en onuitstaanbaar mens. Iedereen heeft wel wat waarvan hij wil genezen. De een mist een oog, de ander een hand en een derde zijn benen. Weer anderen hebben hun tong dan wel hun hoofd verloren. De een is te jong, de ander te oud. Niemand is tevreden met zichzelf, maar vaak zit er niets anders op dan je beperkingen te aanvaarden en er datgene mee te doen waarvoor je geboren bent. Als er mensen bestaan die daartoe in staat zijn dan zou je verwachten dat dit ouderen zijn. Maar misschien is onze maatschappij zo veranderd dat jongeren hen de les moeten lezen.

Piet Winkelaar juli 2012


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven