Patricia De Martelaere

| Geen reacties

Patricia De Martelaere

 

In 2009 overleed Patricia De Martelaere, filosofe en romanschrijfster (Zottegem, 19576), 51 jaar oud aan een hersentumor. Zij was hoogleraar aan de Universiteit van Leuven en een begaafd schrijfster. Op dertienjarige leeftijd maakte ze al haar literaire debuut maakte. Marja Pruis is een fan van haar en schreef een boek over deze bijzondere vrouw met als titel: Als je weg bent. Het betreft niet zozeer een biografie als wel een schets die probeert de achtergronden van De Martelaere in kaart te brengen.

In het onderstaande enkele fragmenten uit: Het Verlangen naar ontroostbaarheid van Patricia De Martelaere, misschien wel haar bekendste boek. Het bevat twaalf essays over kunst, religie, liefde, leven en dood. Hieruit enkele passages.

‘Toen ik tien jaar oud was schreef ik in een opstelletje dat ik me bij Ravels Bolero een eindeloze rij kamelen voorstelde die door de woestijn trok en dat Beethovens Mondscheinsonate me deed huilen zonder dat ik kon zeggen waarom. Nu doet Ravels Bolero mij helemaal nergens meer aan denken hoewel ik bij Beethoven misschien nog steeds zou kunnen huilen zonder intussen te weten zijn gekomen waarom.’

‘Een rechtstreeks toegang tot het begrijpen van de ander of het ‘zijn’ van de wereld hebben wij niet, evenmin als wij een toegang zouden hebben tot de wereld van de roman los van de woorden waarin hij is beschreven. Eigenlijk is ook onze echte, onze werkelijke wereld, een wereld van ‘horen zeggen’. Wij zijn allemaal ‘lezers’ van de werkelijkheid, noeste ontcijferaars van tekens. Wij zien de wereld niet echt, wij lezen hem door de woorden heen. Onze beelden zijn gevormd door de woorden. En net zoals bij daadwerkelijk lezen betekent ook hier ‘kunnen lezen’ en ‘begrijpen’ eerst en vooral: verder kunnen gaan, nieuwe gegevens voortdurend onderbrengen in dezelfde kaders.’

‘Liefde en kunst, zegt men, hebben een en ander gemeen. Dat beweert althans met aandrang een aantal ongelukkige kunstenaars, hierin mistroostig bijgetreden door een aantal ongelukkige minnaars. De afgewezen minnaar zou graag in de weerspannige geliefde het kunstwerk zien dat blijft, dat tegelijk onuitputtelijk is en toch bezeten kan worden. De gefrustreerde kunstenaar van zijn kant zou niet zelden zijn bloedloos geesteskind willen ruilen voor een wezen dat ‘ja’ zegt, ‘ik ook’, of desnoods ‘neen’, maar iets althans.’

‘Schrijven -schrijven zoals de schrijver dat wil- is een volstrekte onmogelijkheid: het probeert een vertaling te zijn van iets dat er niet is. De schrijver is de beeldhouwer van het niets. (…)
De poes bijvoorbeeld. Ze ligt op de mat opgekruld te slapen en te spinnen, zo in zichzelf verzonken, zo vreemd, en je zou haar in taal naar je toe willen halen. Als een razende begin je te schrijven, van kop tot staart, haartje voor haartje, deze poes (geen andere), zoals ze zo ligt te slapen (niet anders), je schrijft: poes, en reeksen adjectieven daarbij zoals: zacht, grijs, warm, glanzend, en hoe meer je beschrijft hoe meer je zou willen dat de woorden de poes niet zouden beschrijven, maar haar helemaal zoals ze is zouden doen zijn. Honderden bladzijden kun je zo doorgaan, boekdelen vol, over de onbereikbare poes op de mat, en het is allemaal niets, het vervangt zelfs niet het meest onbetekenende gebaar, het gebaar waarmee je naar de poes toegaat en haar streelt, zonder te schrijven: ik streel de poes, zonder te denken: de poes, de poes. Streel je dan de poes? Je streelt de poes buiten taal, de poes die geen poes is, een strelen dat geen strelen is: niets. De taal van de schrijver wil zijn zoals dit strelen van de poes. De paradox van de schrijver is die van degene die tegelijk echt de poes wil strelen zoals dat enkel in een gebaar kan gebeuren, en wil zeggen, in woorden: Ik streel de poes. Het verlangen om niets meer te zeggen wordt hier identiek met het verlangen om alles over iets te zeggen; het is er niet meer van te onderscheiden.’

‘Heel veel mensen hebben in hun leven wel eens een dagboek bijgehouden, zonder daarom de ambitie te koesteren ook daadwerkelijk te gaan schrijven. De meesten van hen zijn daar op tijd als vanzelf mee gestopt. Sommigen zijn echter doorgegaan met hun dagboeken, soms een heel leven lang, al dan niet in combinatie met het schrijven van ‘andere dingen’, zoals échte literatuur. Heel wat schrijvers beschouwen hun dagboek niet alleen als de – chronologisch eerdere – aanloop tot hun literaire productie maar ook als de permanente marge en het onuitputtelijk reservoir daarvan – een vorm van ‘schrijven’ als het ware tussen leven en schrijven in. En toch geldt het dagboek zelf niet als ‘literatuur’ – integendeel, het voldoet in zijn zuiverste vorm aan twee vereisten die als dusdanig onverenigbaar lijken met de kenmerken van literatuur, namelijk dat het niet bestemd is voor een lezer (dat het de lezer zelfs probeert uit te sluiten) en dat het onvoorwaardelijk waarheidsgetrouw blijft. Overigens vertonen niet alleen schrijvers de neiging om dagboeken te schrijven (en te blijven schrijven) maar ook schilders, beeldhouwers en componisten. Meubelmakers, dokters, ingenieurs, vaders en moeders en zovele ‘gewone’ mensen doen dat doorgaans niet. Het dagboek lijkt dus niet zozeer met het schrijverschap te zijn verbonden als wel met het kunstenaarschap in het algemeen. Alleen doet zich hier de onverklaarbare omstandigheid voor dat van de zogenaamd ‘gewone’ mensen een niet onaanzienlijk aantal als adolescent, en bij voorkeur als verliefde adolescent, zich wél aan een dagboek te buiten ging. Besluiten dat alle kunstenaars in wezen onopgegroeide adolescenten zijn en dat zij daarom nooit zijn opgehouden met hun dagboeken zou te gemakkelijk zijn. De vraag blijft immers waarom adolescenten, die op school vaak geen welgevormde zin op papier krijgen, per se lyrisch moeten gaan doen in rode schriften met sloten en sleuteltjes. Wat willen zij hiermee? Welk soort voldoening vinden zij hierin, voor welk soort plotseling ontstane behoefte die later als vanzelf weer verdwijnt, behalve dan bij sommigen, die wellicht vanuit deze behoefte, en met een ietsje meer talent, hun toevlucht zoeken tot de echt artistieke creatie?’
Dagboeken – zegt men – zijn volstrekt privé; ze zijn alleen voor hun auteur bestemd, ze worden verborgen, verzegeld of in geheimtaal geschreven, en menig adolescentendagboek is voorzien van bedreigende opschriften ter afschrikking van de ongewenste lezer. Dagboeken die geschreven worden met het stille oogmerk dat ze ooit worden uitgegeven, dagboeken die dienst doen als een soort gecamoufleerde boodschap aan ouders of partners, dagboeken die men achteloos in het hele huis laat slingeren of dagboeken waaruit regelmatig wordt voorgelezen aan vrienden of verwanten, gelden niet als echte dagboeken maar als verkapte vormen van communicatie met anderen. Ze wekken verdenking, ze worden beschouwd als namaak en bedrog, alsof iemand – dat lijkt de veronderstelling te zijn – alleen maar in de communicatie met zichzelf een volkomen eerlijkheid en transparantie aan de dag zou kunnen leggen. Elias Canetti formuleert het categorisch: ‘Een dagboek dat niet geheim is, is er geen, en mensen die anderen altijd hun dagboeken voorlezen, moesten maar liever meteen brieven schrijven of beter nog: voordrachten over zichzelf organiseren.’ (‘Dialog mit dem grausamen Partner’ uit de essaybundel Das Gewissen der Worte)
Verbonden met de eis van strikte geheimhouding is de eis van volkomen waarheidsgetrouwheid. Dagboeken – zegt men – zijn de weergave van de ‘werkelijkheid’, het échte leven van hun auteur, met voor hem markante feiten, gedachten en verlangens. Uiteraard getuigen dagboeken ook in hoge mate van de dromen van wie ze schrijft, maar dat doet niets af aan hun waarheidswaarde, zolang de schrijver deze dromen ook écht had of althans van zichzelf dacht dat hij ze had, maar zeker niet bij zijn ontboezemingen in de huid van een ander kroop. Dagboeken zijn met andere woorden geen fictie, geen literatuur, zelfs geen ‘autobiografie’; ze streven geen eenheid na en bouwen geen ‘plot’ op maar volgen gedwee, van dag tot dag, de grillige stroom van het bestaan; ze staan geheel aan de kant van het leven en slechts ‘per ongeluk’ – zo lijkt het althans – aan die van het schrijven. Een dagboek schrijven is, zo opgevat, bijna niet schrijven, alleen maar zien, ervaren, registreren, weergeven – een soort verbale duplicatie van het leven zelf.’

Patricia De Martelaere (1957-2009)


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven