Opgroeien in oorlogstijd: Wij waren ratten, vrij en onkwetsbaar

| Geen reacties

Opgroeien in oorlogstijd: Wij waren ratten, vrij en onkwetsbaar

Interview met Hans van Manen: 

 

 
Als ik mijn oorlog moet samenvatten, dan moet ik zeggen dat het een ongelooflijk leuke tijd was. Erg hè? Ik had twee buurvriendjes, Richard en Frida, net zulke brutale, kwaaie jongetjes als ik. Ook van een moeder alleen. Ik deed wat mijn moeder zei, en zij ook. Maar als onze moeders niet expliciet zeiden dat we iets niet mochten, dan waren we drie ratten die alles deden wat God verboden had.
Mijn vader is jong overleden aan tuberculose, in 1939. Voor zover ik me kan herinneren zat hij in de voorkamer waar mijn moeder hem verzorgde. De kinderen heeft ze altijd bij hem weggehouden. De schuifdeur ging open om goedenacht en goedemorgen te zeggen, maar we mochten nooit de kamer in. Voordat hij ziek werd, heeft mijn broer nog wel gewoon met mijn vader kunnen omgaan, maar dat was bij mij absoluut niet het geval. Aan het begin van de oorlog was ik zeven en woonde ons gezin – mijn moeder, mijn vijf jaar oudere broer Guus en ik – in Amstelveen. Toen mijn vader was overleden, openden mijn moeder en een oom een bridgeclub in Amstelveen. Dat hebben ze nog een tijdje in 1940 gedaan, totdat ze werd gesloten omdat er te veel joden kwamen.

Eind 1940 of begin 1941 zijn we naar Amsterdam vertrokken en gingen we in de Marnixstraat 405 wonen. Mijn moeder – geboren in Duitsland en al sinds begin jaren twintig in Nederland – kreeg een baan bij het arbeidsbureau. Op een bepaald moment werd ze overgeplaatst naar een gebouw aan het Leidsche Bosje. Daar zat ook de Duitse Dienststelle of een afdeling daarvan. Mijn moeder had een secretaresseopleiding gehad en moest vaak ook een etage lager, naar de Dienststelle, om te werken. Daar heeft ze later nog leuke dingen gedaan voor het verzet. Via het arbeidsbureau deed mijn moeder – een kindvrouwtje van één meter eenenvijftig – mee aan het verspreiden van illegale bonkaarten en zo. Ik herinner me nog een tas met van die kaarten die mijn moeder op kantoor had verstopt en die mijn broer de volgende dag moest ophalen. Mijn moeder was een ongelooflijke schat met een hoop humor, een beeldig wijfje op wie iedereen dol was, ook op dat kantoor. Maar ze had verder een absolute naïveteit op het gebied van politiek en het verzet.

Die hoeren onder ons vertrouwden mij volledig
We woonden driehoog in de Marnixstraat. Beneden ons woonden hoeren: Lange Greet, Beppie en Tilly. En dan had je ook Agaath en Saar op de tweede etage, een lesbisch stel. Zij hadden een nichtenkit, Monaco, aan de Lange Niezel. Die hoeren waren voor mijn moeder en mij buitengewoon aardig. Voor mij probeerden ze alles te verbergen, wat natuurlijk niet lukte. Ik hoefde maar over de trapleuning te kijken en ik hoorde wat zich daar fluisterend afspeelde. Dat vond ik natuurlijk razend interessant allemaal. Maar ik deed ook alsof ik dat allemaal niet wist. Je had in onze buurt verschillende ‘hotelletjes’ voor de Duitse soldaten, hotel Marnix, hotel Reinders, hotel Weber. Alles altijd in het donker, nogal wiedes, want er brandden in die tijd geen straatlantaarns meer. Geregeld kreeg ik een bonnetje van de bonkaart van die hoeren, dan ging ik voor ze in de rij staan. Als ik iets voor hen kocht, kreeg ik daar ook iets van. Ze lieten mij zelf de bonnen van de bonkaarten knippen, ze vertrouwden mij volledig. En daar was ik ook altijd keurig in.

De Duitse afkomst van mijn moeder speelde in de oorlog verder totaal geen rol. Mijn moeder voelde zich op en top Nederlandse, sprak foutloos Nederlands en was een perfect Nederlandstalige stenotypiste met 250 aanslagen per minuut. Ze had ook een aantal joodse vriendinnen. Er was er een, een ongelooflijk leuk wijf, later omgekomen, die hield haar tas voor haar jodenster geklemd en kwam gewoon bij mijn moeder op het arbeidsbureau. Die joodse vriendinnen moesten later onderduiken en veel zijn er ook verdwenen. Als kind wist ik niet zo precies wat er gebeurde. Wie zag je nog in 1944 of 1945? Waar kon je nog naartoe? Mijn broer zat ook ondergedoken en we wisten niet eens waar. Hij kwam een keer op bezoek en mijn moeder was helemaal buiten zinnen: ‘Hoe kon je in godsnaam over straat lopen?’ Hij is toen even gebleven en weer weggegaan. Ze heeft hem ook niets gevraagd, daar is naïveteit ook goed voor. Ik merkte wel dat een hele hoop mensen van de aardbodem waren verdwenen. Na de oorlog bleek pas wat er echt aan de hand was geweest.

We hebben nooit kunnen profiteren van iets wat Duits was. Helemaal niets, wij hadden geen ene moer. Het enige voordeel dat we hadden, was dat die hoeren nog wel eens wat poen hadden. Daarmee kocht ik bijvoorbeeld een pakje Consi-sigaretten bij de portier van de schouwburg. Of die hoeren vroegen: ‘Ga je even een scholletje kopen bij de oesterbar?’ Een mooie, grote schol was toen zestig gulden. Ik weet nog een keer dat onze kat zo’n schol mee naar boven had gesleept; die lag bij ons boven aan de trap. Mijn moeder zei: ‘Zullen we ‘m bakken?’ Waarop ik zei: ‘Dat kan niet, dat ruiken ze.’ ‘En als we het raam nou openzetten?’ Ik weer: ‘Nee, dat rúíken ze.’ Dus de schol ging weer naar beneden.

We hadden werkelijk overal maling aan
Alles in de oorlog was avontuur, vooral met z’n drieën. We hadden werkelijk overal maling aan, zeker de laatste anderhalf jaar dat de school dicht was. Dat was de ergste tijd natuurlijk. Acht uur was het spertijd, maar daar trokken wij ons niets van aan. We gingen gewoon op straat, van portiek tot portiek, naar vrienden in de buurt. Verder begrepen wij ook heel goed dat we gebrek aan eten en brandstof hadden. Dus waar we het vandaan konden slepen en stelen, daar deden we het. Je had bijvoorbeeld een aantal schuilkelders aan het begin van het Vondelpark; dat waren van die hopen die met een soort oud kolengruis was bedekt. We zochten dan de goede stukjes antraciet die er nog tussen zaten. Die waren erg klein, maar op een gegeven moment had je toch een zakje vol en daar kon je het kleine ronde kacheltje mee stoken. Daar kon je aardig op koken.

Fietsen of onderdelen daarvan stalen we ook. Van fietsen zonder voorwielen of iets dergelijks wisten we wel weer iets in elkaar te knutselen, vooral Richard was ongelooflijk handig. Ik haalde ook prachtige bloemen uit de perken. Deed ik net alsof ik aan het vissen was, knipte ik met een schaar rozen af en deed die in mijn tas. Kwam ik thuis met een prachtig boeket bloemen. ‘Wat heb je nou weer?’, zei mijn moeder dan, die werd er helemaal krankzinnig van. De bloemen zette ik meestal neer op de piano in de hoek. Ik was ook een van de eersten die tramblokjes uit de straat sloopte, want in de Marnixstraat zaten allemaal van die fantastische houten blokjes die geteerd waren. Die kon je met de botste bijl kloven, en ik hád een botte bijl. Gek genoeg ben ik nooit op het idee gekomen om ze te slijpen. We hebben ook wel eens een biels gehaald uit de Rietlanden, het rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen. Wat woog ik in de oorlog? Negenendertig of veertig kilo. Toch sleepten we met een touw die biels helemaal naar het Leidseplein. Dan nog de trap op, daar hielp mijn moeder mee. Maar met mijn botte bijl kon ik van die biels niets afkrijgen, want dat was een soort eikenhout.

De jacht op brandstof

De laatste drie maanden van 1944 waren al kouder en natter dan gemiddeld. Op 23 december zette de vorst in en in januari vroor het zesentwintig etmalen (laagste temperatuur in Friesland –19 C op 27 januari 1945). Tot maart 1945 was het zeer onaangenaam weer; na de winterse periode was februari somber en nat. Begin september 1944 had de omstreden directeur-generaal van Handel en Nijverheid, H.M. Hirschfeld, de aflevering van brandstof aan particulieren geheel stopgezet. Op dat moment was nog maar een klein deel van de voor de winter toegezegde kolen aan gezinnen geleverd. Al snel ontstond er in het bezette gebied een jacht op alles wat kon branden. In Amsterdam werden circa 20.000 bomen omgezaagd. Het Vondelpark en grote delen van het Amsterdamse bos waren alleen te redden door deze gebieden volledig af te sluiten. Banken in parken en plantsoenen werden weggehaald en opgeslagen. In oktober 1944 werden leegstaande woningen van hout ontdaan; daarna volgden houten leuningen van bruggen, zelfs hele houten bruggen werden gesloopt. Om brandstof te krijgen voor de centrale keukens brak de gemeente Amsterdam begin 1945 op de Koninginneweg de houten blokjes tussen de tramrails op. Dat vond direct navolging: in enkele uren sloopte het publiek ongeveer 275.000 houten blokjes tussen de tramrails uit. In totaal werden in Amsterdam meer dan 4 miljoen van dergelijke blokjes meegenomen voor een beetje warmte.

Bron: L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b, eerste helft. Den Haag, 1981.
 

In de ATVA, het Amsterdams Tehuis Voor Arbeiders, ook aan de Marnixstraat, zaten Duitse soldaten. We wisten daar precies het luikje te vinden waar de aardappels ingingen. In het donker gingen we onder het prikkeldraad door en dan hielden we iemand bij de voeten vast om bij die aardappelen te komen. Ze hebben ons natuurlijk wel eens proberen te pakken, maar drie van die kinderen lieten ze meestal gaan. We kregen ook wel eens aardappels als die met een auto werden bezorgd bij hotel Americain aan de Leidsekade. Dan schudden ze die zakken leeg, en ja, dat waren zeker aardige, leuke mannen, want ze lieten altijd een paar aardappels in die zak over en die schudden ze dan op straat. Dan hadden we weer een keer aardappels, maar dat gebeurde niet zo vaak.

‘Spinazie? Die moet ik tien keer wassen’
Mijn moeder vond het vreselijk allemaal. Ooit heb ik eens tien kilo suikerbieten geprobeerd te schuren en daar stroop van te maken. Kwam ze thuis, had ik de hele dag zitten raspen en koken op die noodkachel, bleef er maar een heel klein laagje over. Toen barstte ze in snikken uit, omdat ik zo veel had gedaan en er zo weinig van overbleef. Verder weet ik nog goed dat we in de Hongerwinter eens met z’n drieën bij een boer buiten Amsterdam allemaal een kilo spinazie hadden losgekregen. Daar kwam ik mee thuis en het eerste wat mijn moeder zei, was: ‘Die moet ik tien keer wassen.’ We hebben het natuurlijk wel gegeten en ze dacht waarschijnlijk ook: wat zeg ik? Maar dat was het eerste wat ze zei.

Dat was ook zoiets geks: op het laatst van de oorlog kon je ergens voor vijfentwintig cent een bakje schuim krijgen om te eten. Dat was niks, gewoon lucht met wat zoetigs eraan in een grijzig, grauw kartonnen bakje. Maar je kreeg nooit twee bakjes tegelijk. Dus ging je onmiddellijk weer in de rij staan. Als er ook maar iets van eten te halen viel, was er een rij. Bij rijen moet ik nu nog steeds aan de oorlog denken. Ik ga er nooit meer in staan. Ik loop gewoon een beetje mank en ga helemaal naar voren. Nou ja, dat heb ik één keer gedaan, voor Versailles. Er stond een rij van honderd meter en ik wilde er dolgraag in. Maar ik zei: ‘Ik ga niet in de rij staan.’ Tegen Henk zei ik: ‘Ik ga mank lopen, loop maar achter me aan.’ Hij was knalrood en schaamde zich de kolere, maar we waren zó binnen.

Wat er precies met de joden gebeurde, daar wist ik niet zo veel van. Dat had Radio Oranje veel eerder kunnen vertellen. Ik herinner me dat ik van mijn moeder wel eens een ijsje mocht halen in een klein ijszaakje op het Raamplein. Een keer was ik daar en stond een jongetje in de deuropening. Die vrouw van de ijszaak zei toen: ‘Breng die jongen even dit ijsje.’ Dus dat deed ik. Het was een joods jongetje, dat niet naar binnen mocht omdat de winkel voor joden verboden was. Het jongetje dat niet over die drempel durfde en die geweldige vrouw, dat maakte een enorme indruk op me.

Ik zag alleen nog dat ze mensen in een auto droegen
Ik heb ook meegemaakt dat hier begin 1945 mensen gefusilleerd zijn, voor de Nieuwe Spieghelschool. Dat merkten we, want alles werd afgezet met ongelooflijk veel lawaai. Het gebeurde schuin tegenover ons, zo’n veertig meter verder. Mijn moeder had dekens over de kozijnen gelegd om te luchten. Daar ben ik onder gekropen om te kijken, maar toen was het al voorbij. Ik zag alleen nog dat ze mensen in een auto droegen, meer heb ik niet gezien. Ik weet wel dat het hele huis en de straat daardoor aangeslagen was. Daarna ging ik even een week anders naar buiten. Dat duurde voor mijn moeder en andere volwassenen misschien langer dan voor mij en mijn vriendjes. We begrepen wel dat dit overal kon gebeuren. Niet bij ons hoor. Wij drieën voelden ons behoorlijk onkwetsbaar.

Op een gegeven moment hadden we absoluut niks meer te vreten. Alles wat we in het noodkacheltje konden verwerken, had ik al met de bijl kort en klein geslagen. En toen kwam er plotseling een overval van de Sicherheitsdienst. Die kwamen het huis controleren. Bezopen natuurlijk, want we hadden niks. Het enige wat we nog wel hadden, was een radio. Die hadden we nooit ingeleverd. Daar werd iets over gezegd, alsof wij constant naar Radio Oranje luisterden, wat we trouwens ook deden. Die SD’ers zijn weggegaan zonder iets te doen. Na de oorlog hebben we gehoord dat dat het verzet was geweest, verkleed als SD’ers. Ze wilden weten of mijn moeder te vertrouwen was. Natúúrlijk was ze te vertrouwen, nogal wiedes.

Ik zat op de Prinsenschool, tegenover het oude Telegraaf-gebouw, op de Nieuwezijds Voorburgwal. Na de oorlog moest ik daar weer heen, maar ik wilde helemaal niet. Ik heb drie maanden gespijbeld voordat ze erachter kwamen. Mijn moeder vroeg wel eens: ‘Wat deed je dan de hele dag?’ Ik vertelde het rustig: er was altijd kermis op het Stadionplein, daar stalen we melkflessen, die brachten we naar een andere melkboer terug en dan hadden we statiegeld voor de kermis. Het is niet te geloven, de oorlog was afgelopen, maar voor ons ging het gewoon door. Na die drie maanden begreep mijn moeder ook wel dat het geen enkele zin had om mij naar school te sturen. Zodoende ben ik op mijn dertiende gaan werken, dat mocht in die tijd nog, bij meneer Michels, de toneelkapper van de Stadsschouwburg. Mijn moeder wist wel dat ik naar het theater wilde en haar vriendin kende Michels, zo ben ik daar gekomen. Op mijn achttiende zei ik tegen die man: ‘Ik ga toch dansen.’ Hij zei: ‘Ik heb het altijd geweten, maar hoe gaat dat dan nu?’ Ik zei: ‘Ik blijf gewoon bij mijn moeder wonen en verder zien we wel.’ ‘Nou’, zei hij, ‘dan werk je één avond in de week bij mij en mag je je salaris houden.’ Zo’n man was dat. Dat heb ik anderhalf jaar gedaan. Zolang hij leefde, heb ik bij iedere première een bos bloemen van hem gekregen.

Mijn moeder zong Duitse liedjes niet absoluut niets met de oorlog te maken hadden
Ik heb altijd naar het theater gewild en altijd willen dansen. Het is een raadsel waar dat vandaan kwam. We waren wel een muzikaal gezin natuurlijk, een beetje bohemienachtig zelfs. Mijn moeder speelde goed gitaar en zong Duitse liedjes die absoluut niets met de oorlog te maken hadden, nogal ondeugende liedjes. Mijn broer speelde piano en is direct na de oorlog jazzpianist bij de Amerikanen in het buitenland geworden. In de oorlog ben ik nog een keer naar de Snip & Snap Revue geweest. Ik denk dat mijn moeder al het geld bij elkaar had geschraapt voor een kaartje, ik weet anders niet hoe ik daaraan ben gekomen. In het City Theater zat ik met open mond te kijken. Ik vond het geweldig. Het was een absolute zekerheid dat ik ook bij het theater zou gaan. Toen ik later als toneelkapper Sonia Gaskell op de Dam zag, dacht ik: nu is het afgelopen, nu meteen. Ik wil ook dansen.

Na de oorlog gingen die hoeren natuurlijk over naar de geallieerden. Met hen is niets gebeurd, ze waren ook dik in orde. Leuke hoeren waren het. De Amerikanen en Canadezen die na de oorlog bij hen kwamen, hadden allemaal foto’s, pakken foto’s bij zich. Die lieten ze blijkbaar bij die hoeren liggen. De foto’s zagen eruit als slechte kopieën; als ik ze me nu nog herinner waren ze vaag, maar toch duidelijk. Er stonden lijken op en verschrikkingen van de concentratiekampen. Ik was twaalf toen ik die zag. Ik heb daar foto’s gezien die ik nooit meer heb gezien. Misschien was het wel materiaal dat die soldaten meekregen om aan iedereen te laten zien wat er aan de hand is geweest, ik weet het niet.

In de oorlog kwam mijn vrijheidsdrang tot bloei
Alles doen wat verboden was, gaf een ongekende vrijheid, die ik ook na de oorlog heb gehouden. Ik ben vaak zomaar weggegaan; bij het Nederlands Danstheater nam ik van de ene op de andere dag ontslag, klaar. En dan kwam ik thuis en vroeg me af: waar moeten we nu weer van leven? Een halfuur later ging de telefoon en dan was het weer opgelost. Die vrijheidsdrang zit in mijn karakter, maar in de oorlogsomstandigheden kwam die drang tot bloei. De oorlog heeft een enorme invloed op me gehad. Dat kan niet anders. Je moet zelf nadenken, doen wat je vindt dat je moet doen. Ik voelde me buitengewoon verantwoordelijk, vooral voor mijn moeder. En je moest altijd voorzichtig zijn, soms stiekem, maar altijd handig en clever. Ik denk dat ik ongelooflijk veel geleerd heb in de oorlog. En ik heb een buitengewoon prettige jeugd gehad, daar komt het wel op neer.

 

[Bron: Die Oorlog]

 

 

 

Biografische gegevens

Hans van Manen werd op 11 juli 1932 geboren in Amstelveen. Op zijn dertiende werd hij toneelkapper in de Amsterdamse Stadsschouwburg. In 1951 sloot hij zich als danser aan bij Sonia Gaskell’s Ballet Recital. In 1952 stapte hij over naar het Nederlands Opera Ballet; daarnaast bleef hij bijverdienen als toneelkapper en maakte hij deel uit van het cabaret van Wim Sonneveld.

In 1957 schreef hij zijn eerste ballet: Feestgericht. Hiervoor zou hij in 1960 de staatsprijs voor choreografie krijgen. In de decennia daarna schreef Van Manen zo’n 120 balletten voor onder meer het Nederlands Dans Theater en Het Nationale Ballet. Door de helderheid en bedrieglijke eenvoud van zijn choreografieën kreeg hij de bijnaam ‘de Mondriaan van de dans’.

Hans van Manen kreeg in 2000 de Erasmusprijs als representant van de Nederlandse Dans in het algemeen. In september 2007 organiseerde Het Nationale Ballet een groot festival ter ere van zijn verjaardag. Daar werd hij ook benoemd tot Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Hans van Manen is getrouwd met Henk van Dijk.

 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven