Niemand deed nog goede dingen

| Geen reacties

Niemand deed nog goede dingen

Interview met Jacquelien de Savornin Lohman over haar jeugdherinneringen bij de Tweede wereldoorlog

 

“Als kind beleef je gebeurtenissen heel anders dan als volwassene. Omdat je als kind geen overzicht hebt, leef je enorm van dag tot dag,  in het hier en nu. Ik zag altijd wel het avontuur, zelfs in verschrikkelijke dingen die ik meemaakte, zoals de pesterijen van de Japanners en de eindeloze appèls waarvoor we moesten opdraven. Toch heb ik als kind niet zo erg geleden onder het kamp, waarschijnlijk omdat ik  een optimistisch karakter heb. Daardoor negeer ik leed ook wel. De zorgen bijvoorbeeld om mijn tante die op sterven lag, of om mijn verwilderde nichtje, hielden me niet zo bezig. Je kon er toch niets aan doen. Ieder was met z’n eigen lot bezig.”

 

Mijn vader was rond 1920 naar Nederlands-Indië gegaan. In die tijd was het lastig om aan een baan te komen in Nederland. Veel van mijn familieleden zijn toen naar Indië verhuisd. Mijn vader stamde uit een voornaam gereformeerd geslacht, zijn grootvader had de CHU opgericht. Hijzelf tilde minder zwaar aan het geloof, hoewel ik me herinner dat we regelmatig uit de bijbel lazen. Mijn moeder komt uit een bohémien-achtig gezin. Kees Verweij, een bekend schilder, was haar broer. In dat gezin was het zo’n beetje ‘geen geld, wel ambitie’.

 

Een zorgeloos bestaan

De jaren dertig herinner ik me als een zorgeloos bestaan. Mijn vader werkte kei- en keihard, hij zat altijd te tikken. Sowieso was de afstand tot mijn vader groot, moeder deed in die tijd de kinderen. Mijn twee oudere broers zaten al op de middelbare school en hadden een plezierig leven. Tot een uur of twaalf had je school, daarna was je vrij en kon je gaan tennissen. In het weekend trokken we in een oude Ford naar het buitenhuis van een oom, daar kon je heerlijk spelen rond het huis en badmintonnen. Toen ik later de brieven van mijn ouders las, begreep ik dat ze eigenlijk ontzettend weinig geld hadden. Ze vroegen bijvoorbeeld altijd om boeken, die ze dan een maand later zouden betalen. En om de zes jaar kon je naar Nederland, dat heb ik één keer meegemaakt. Als je de foto’s uit die tijd ziet, valt het op dat mijn moeder na zo’n periode blozend terugkeert, terwijl ze in Indië meestal een ingevallen gezicht had. Ze was ziekelijk, had veel last van migraine, diarree en geelzucht. Ik vermoed dat ze veel heimwee had.

 

Mijn ouders behoorden tot de progressieve richting, dat pikte ik wel op uit de gesprekken die ik hoorde. Met een oom die burgemeester was van Buitenzorg spraken ze bijvoorbeeld over de vraag hoelang het Nederlandse bewind nog was vol te houden. Ze waren voor de emancipatie van de Javanen, ze hadden eerbied voor de inheemse cultuur. Mijn vader had ook Indische vrienden, dat was uitzonderlijk in die tijd. Ook bij mijn moeder was eens een deftige Javaanse dame op bezoek, hoewel mijn moeder vooroordelen koesterde tegen Indiërs. Ik was gewend dat onze baboes op de hurken zaten, terwijl deze dame op een stoel zat. ‘Net een mevrouw, maar toch aan baboe’, zei ik, want ik begreep er niets van. Die dame vatte het gelukkig luchtig op. Mijn moeder was ook gewaarschuwd voor de Indische bedienden. Die zouden enorm uit de voorraadkast stelen, dus die moest altijd op slot.

 

We scholden elkaar uit voor Hitler

Van Holland wisten we niet zoveel, tenminste ik niet. Ik kan me niet herinneren dat we met rode koontjes aan de radio zaten gekluisterd om de ontwikkelingen in het vaderland te volgen. Mijn beeld van Holland berustte op het boertje en boerinnetje die ik had gekregen en die in de vensterbank stonden. Het was een mooi en welvarend klompenland waar de mensen rode wangetjes hadden. Dat boertje en boerinnetje zijn trouwens gepikt, een van mijn jeugdtrauma’s. Bij een oorlog heb ik me niks voorgesteld. Ik kan me ook niets herinneren van mei 1940. Wat ik nog wel scherp voor me zie, is dat ik als kind in bed lag te luisteren naar de toespraken van Hitler. Daar had ik megalomane dromen over, dat ik ook op zo’n balkon stond en dat de mensen voor mij juichten. Dat leek me fantastisch. Verder scholden we elkaar uit voor Hitler. Ik was het totaal vergeten, maar een clubgenote heeft mij er later nog eens aan herinnerd dat ik haar ooit voor Hitler had uitgemaakt.

 

Ik heb in die jaren heel even op school gezeten, maar daar herinner ik me niet veel meer van dan dat ik dik bevriend was met de dochter van het schoolhoofd, Pien. We hadden allebei vlechtjes en liepen altijd gearmd en zo. Van een andere vriendin zie ik de kinderpartijtjes nog voor me. Zij was dan Sneeuwwitje, terwijl wij werden verkleed als kabouters. Dat werd slaande ruzie, want iedereen wilde het liefst Sneeuwwitje zijn. Voor de kamptijd ben ik vooral gevormd in de padvinderij. Mijn broers zaten er ook op, dat waren al echte verkenners, ik had het niet verder geschopt dan kabouter. Padvinderij was in Indië echt spannend, we gingen de natuur in om in de rivier bruggen en forten te bouwen. Ik had niet echt veel vriendinnetjes, ik identificeerde me vooral met jongens. Ik had ook het idee dat ik later een jongen zou worden; dat probleem zou zich dus vanzelf oplossen. In 1942 hebben we de logboeken van mijn broers uit het clubhuis gejat. Die kwamen later goed van pas, ze waren nog maar voor een deel beschreven. We hebben ze in het kamp gebruikt om aantekeningen te maken tijdens de lessen die we volgden.

 

Koreaanse stoottroepen waren gek op drank

De Japanse inval heeft ons absoluut verrast. In de maanden daarvoor hadden we regelmatig luchtalarm, dan schuilden we in de kelder met wokpannen op ons hoofd. Onze NSB-buren gingen juist naar buiten om te zwaaien met een vlag. Ik weet nog dat ik me altijd afvroeg hoe de Japanners zouden zien dat onze buren goed waren en wij fout. Begin 1942 zijn we uit Batavia naar Bandung gevlucht omdat we in het binnenland minder gevaar zouden lopen. Mijn vader was al opgeroepen, dus die was er al niet meer bij. We zaten daar in het huis van een rijke familie, met een drankkelder van hier tot overmorgen. Uit vrees voor de Koreaanse stoottroepen – die gek waren op drank, hadden we gehoord – hebben we die hele kelder door de slokan leeggegooid: whisky, jenever, die moest je dan met een sappolidi wegvegen door een open goot. We hadden alleen de fles met levertraan laten staan. En inderdaad: toen de Koreanen kwamen, gingen ze naar  het dressoir en pakten die fles. Ze namen een slok en spuugden die troep onmiddellijk weer uit. Ik kon het zien want ik zat onder de tafel.

 

Na de inval gingen we terug naar Batavia. Mijn moeder – die uitstekend was in oorlogssituaties, in vredestijd was dat minder – dacht slim te zijn door riemen aan de auto te binden die de Koreanen hadden achtergelaten. Misschien dat ze bij eventuele barricades zouden denken dat ze verwant was met de Koreanen. Het bleken echter Australische riemen te zijn, die de Koreanen hadden buitgemaakt. Toch is ze thuisgekomen, terwijl ik met een baboe per trein naar huis was gereisd. We werden ons huis uitgezet door de NSB-eigenaar en hebben nog even in een ander huis gezeten, voordat we naar het kamp Tjideng moesten. Daar hebben we de rest van de oorlog gezeten, mijn moeder, mijn zusje en ik, eerst met de jongens, de laatste anderhalf jaar moesten die naar een mannenkamp.

 

In dat mannenkamp zaten allemaal leraren, zodat mijn broers die goed konden leren, goed opgeleid werden. Ze waren alleen niet goed in Duits. Toen ze na de oorlog in Nederland naar school gingen, konden ze snel door de middelbare school heen. In Tjideng kreeg ik les van juffrouw Koch, die lerares klassieke talen was. Van haar heb ik schrijven en rekenen geleerd. Materiaal was er nauwelijks. Mijn moeder had wat Franse boekjes die we doornamen, maar daar bleef het bij.

 

 

De bezetting van Nederlands-Indië, het kamp Tjideng

 

In de loop van de eerste oorlogsjaren werd de dreiging in het Verre Oosten steeds groter. In december 1941 stoomde een Japanse vloot op in de richting van Nederlands-Indië. Nadat de Japanse luchtmacht op 6 december de Amerikanen verraste met de aanval op Pearl Harbour verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. De eerste aanvallen vonden plaats op Borneo en Ambon. Eind februari 1942 rukte de Japanse marine op naar Java dat werd verdedigd door een geallieerde vloot van Amerikanen, Engelsen, Australiërs en Nederlanders. In de Javazee vond een zeeslag plaats die leidde tot een nederlaag voor de geallieerden, waarna de Japanners op Java konden landen. Op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger. In oktober 1942 moesten vrouwen en kinderen die waren geregistreerd als ‘zuivere’ Nederlanders (Belanda-totok) verhuizen naar ‘beschermde wijken’, zoals dit in de verordening stond. Vaak waren dit stadswijken, in Batavia de wat vervallen wijken Kramat en Tjideng. In eerste instantie werden in elk van deze wijken ongeveerd tweeduizend personen ondergebracht. Dit zou oplopen tot meer dan tienduizend personen in 1945. Het kamp was intussen steeds kleiner geworden, tot een kwart van de oorspronkelijke wijk. Vanaf april 1944 stond het kamp onder bevel van Kenichi Sonei die in september 1946 wegens oorlogsmisdaden ter dood werd gebracht.

 

Bron: L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11b, eerste helft en tweede helft. Den Haag 1985.

 

 

De commissie schepte het vet van de soep

We moesten voortdurend verhuizen in het kamp omdat het steeds kleiner werd, terwijl er nieuwe mensen bij kwamen. Mijn moeder zocht steeds de rafelranden van het terrein op, dan zaten we weer in een raar hutje waar ze een raam in knipte, of een deur waardoor de hele wand naar beneden viel en we met onze voeten buiten lagen. Vriendinnetjes kan ik me niet herinneren. Mijn vriendinnen van voor de oorlog was ik uit het oog verloren, maar of ik andere had? Ik weet het echt niet meer, raar is dat. We deden wel spelletjes met een groepje maar die werden altijd snel verboden door de Japanners. Dan zagen ze krijt op straat om te hinkelen en kreeg je straf. Je had het sowieso de hele dag druk met corvee, met een blikje een emmertje water vullen om soep te halen. Verder hielp ik in de keuken bij het verdelen van voedsel. Ik  moest de voedselnummers omroepen: ‘Nummers 1 tot en met 22 eten halen in tjilamajakeuken, water meenemen, geen water, geen soep’. Ik heb nog heel lang al die nummers uit mijn hoofd gekend. Veel mensen kenden mij ook van het omroepen, ze zaten dan te wachten totdat ze konden eten. Als iedereen geweest was, mocht ik als medewerker van de keuken de drum uitlikken, al zaten er stukjes lood onderin. De vrouwen die in de keuken werkten, waren merendeels soldatenvrouwen. Ze zagen er goed uit, ze zorgden blijkbaar goed voor zichzelf. Dat wekte wantrouwen, daarom werd er een commissie van toezicht benoemd. Op een gegeven moment kom ik een kamer binnen van de gaarkeuken, zit daar de commissie samen met de kooksters het vet van de soep te scheppen. Daar kreeg ik dan ook een likje van als medewerker van de keuken. Ik was geschokt, maar ik heb het niemand verteld, zelfs niet aan mijn moeder.

 

Nee, het kamp bracht niet het beste naar boven in mensen. Je moet je voorstellen: met ongeveer twintig mensen bij elkaar gezet in een huiskamer, met een tekort aan brood en ander voedsel, dan krijg je zo ruzie. Niemand wilde zijn kinderen tekort doen. Mijn moeder heeft wel eens gezegd dat van de vrienden waarmee zij in het kamp is gegaan, geen vriendschap is overgebleven. Mensen pikten en bedrogen. Een van mijn broers zorgde bijvoorbeeld voor een invalide mevrouw. Maar als we op de muur klommen en in haar kamertje keken, liep ze kwiek heen en weer. Zulke dingen, ach, eigenlijk vertel ik daar liever niet over. Niemand deed nog goede dingen. Alleen de nonnen, die verrichten goed werk voor de zieken.

 

Ik keek er niet doorheen

Je had ook nog rangen en standen in het kamp. De chirurgen van het ziekenhuisje hadden een hoge status, die kregen voldoende te eten. En de vrouw van de gouverneur, mevrouw Tjarda van Starkenborgh, zat ook in een mooi huis in mijn herinnering. Elke dag moest ik haar een pannetje eten brengen. Onderweg deed ik dan even de deksel eraf, dat rook heerlijk. Ik pikte nooit iets, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Als ik het haar bracht, vrat ze het op en kwam ze terug naar buiten met een lege pan. Dan mocht ik dat pannetje  uitlikken. Of ik dat raar vond? Nee, eigenlijk niet, het was vanzelfsprekend. Ik vond het wel jammer, het was leuk geweest als er nog iets in had gezeten. Maar ik keek toen tegen haar op, niet er doorheen.

 

Gruwelijkheden heb ik niet echt meegemaakt, al hoor je daar heel verschillende verhalen over. We hadden wel de pesterijen, zoals het ‘koempoelen’, urenlang op appèl staan voor straf, uren en uren in de hitte in de houding staan. Soms ging dat ‘s nachts door. Dan vielen mensen flauw en werden afgevoerd. En de Japanse kampcommandant, die Sonei, was maanziek, die ging dan met stenen gooien en hard schreeuwen.  Sowieso was er twee keer per dag appèl, dan moest je buigen voor de Jappen. Daar werden liedjes over gemaakt: ‘Twee keer daags dan heb je schijt, want dan is het koempoeltijd.’ Maar als kind maak je de dingen anders mee, ik heb er niet erg onder geleden. Ik zag altijd wel avontuur. En de grote mensen hadden sterk het idee dat het tijdelijk was en niet lang meer zou duren.

 

Vlaggen buiten het kamp

De bevrijding in augustus 1945  kwam eigenlijk ongemerkt, via geruchten. Ik zou geen dag aan kunnen wijzen waarop we officieel zijn bevrijd. Langs de hekken van het kamp schuimden Indische jongetjes rond, daar hoorden we van de bom op Hiroshima en van de bevrijding van Nederland. Op een gegeven moment zagen we ook vlaggen buiten het kamp, rood-wit. Heel lang hebben we gedacht dat we het blauw niet konden zien. Totdat bleek dat het de vlag van de Indonesische nationalisten was. En werden we door hen bedreigd, moesten nota bene de Japanners ons beschermen. In die tijd kwamen allerlei krijgsgevangenen terug om hun ouders te zoeken. Ook mijn broers kwamen terug naar Tjideng.  Mijn moeder kreeg in die tijd een officiële brief waaruit bleek dat mijn vader was overleden. Mijn zusje die ik 1941 is geboren, heeft mijn vader dus eigenlijk nooit gekend. Via een kennis konden we met enkele gezinnen naar een huis buiten de omheining van het kamp, waar we voor het eerst weer stromend water hadden. Daar kregen we voorlichting over Holland. Mijn grootste zorg was of ik daar ook de slokan moest vegen. Dat hoefde niet.

 

De bootreis was een avontuur en vreselijk tegelijk. We hadden nauwelijks voorzieningen, mensen verzwakten en gingen dood. Ik kwam ziek aan in Nederland, broodmager en met tropenzweren. Maar niemand had belangstelling voor onze verhalen: ‘Jullie hadden het tenminste warm; wij hebben de Hongerwinter achter de rug’. Op een gegeven moment heb ik mijn ‘cv’ dan ook maar veranderd. Als mensen naar mijn ervaringen vroegen, vertelde ik over een fiets op velgen, buikpijn van de bloembollen en hoe koud het wel niet was geweest. Dat had ik deels uit boeken, deels van de verhalen om mij heen.

 

Voor de docenten was ik een teleurstelling

Na een paar maanden lagere school deed ik toelatingsexamen voor de middelbare school. Er waren vragen bij waarop ik het antwoord echt niet wist. ‘Welke delen van Nederland waren ondergestroomd in de oorlog?’ bijvoorbeeld. Ik zei dat tegen Anton Pieck – de kunstenaar, inderdaad – die daar surveilleerde, waarop hij zei: ‘Schrijf maar, ‘Ik was hier niet in de oorlog’’. Hoe dan ook, ik werd toegelaten op de Montessori-school, waarschijnlijk door de reputatie van mijn broers die er al op zaten. Maar voor de docenten was ik een teleurstelling, ik was vrijgevochten en ondeugend. Ik weet nog dat de Griekse leraar zei: ‘Die voortreffelijke broers, die hadden nog een zusje, en dat was jij! Jakkie Jacquie’. Ikzelf vond het een fantastische tijd, ik was enorm gemotiveerd om te leren, om al die boeken te lezen. We zweepten elkaar ook op, een vriendinnetje en ik. Ik ging ook weer naar de padvinderij, met m’n eigen uniform dat mijn moeder in een hutkoffer de hele tijd had meegesleept. Dat pak vonden ze maar raar in Nederland, dus dat werd een grote deceptie. Ik lag er een beetje buiten. En de leidster deed niets om die afwijzing te doorbreken, of juist aan te grijpen als spannend; onbegrijpelijk.

 

Eigenlijk werd het ook daar toegedekt

Mijn moeder was van het type ‘doorgaan’. Ze ging bijvoorbeeld nooit naar kampreünies. Het grote nadeel daarvan is dat we het kamp nooit hebben verwerkt. Over onze ervaringen werd gezwegen. Ik heb nauwelijks iets gehoord wat mijn broers hebben meegemaakt. De geestelijke gezondheidszorg stelde ook niets voor in de jaren vijftig: als je problemen had, ging je naar het gesticht. Mijn oudste broer is er uiteindelijk aan bezweken. Zelf ben ik in de jaren vijftig, toen ik al studeerde, ook een korte tijd, zo een half jaar, opgenomen geweest. Ze wisten niet goed wat er aan de hand was, een diagnose hadden ze niet. Eigenlijk werd het ook daar toegedekt, ze vroegen niet echt door. Ik weet nu eigenlijk nog niet wat ik toen had. De inrichting, Licht en Kracht in Zwolle, had een blaadje, daar ben ik in gaan schrijven. En op een gegeven moment mocht ik weer naar huis. Eind jaren negentig ben ik er weer geweest, maar nu als voorzitter van de klachtencommissie. Dat was een wonderlijke ervaring.

 

Ik geloof dat je aanleg uiteindelijk bepalend is voor wat je van ervaringen bewaart en wat je er later mee doet. Ik ben vrij naïef en riskant, en een echte rechtvaardigheidsridder. Gevaar zie ik niet, dat had ik al voor de oorlog, toen ik rolschaatsend achter de fiets van mijn broers hing. Onveiligheid, maar ook iets heel anders als schoonheid, blijft me niet bij. Het zijn vooral de momenten van totale onrechtvaardigheid die me zijn bijgebleven.

 

Geen ‘wichtigmacherei’

Het idee dat de oorlog een breuk was tussen generaties herken ik wel. In de jaren vijftig en zestig hadden we heel sterk het gevoel over onze voorgangers: ‘Laat hen wegzakken in hun gezeur, wij gaan onze eigen weg’. Onze generatie wilde nieuwe idealen verwezenlijken, terwijl de oude mannen in hun sociëteit zaten te brommen dat ze niet meer werden erkend.

En uiteraard had mijn leven er anders uitgezien als er geen oorlog was geweest. Mijn zusje en ik hadden mijn vader beter gekend, mijn oudste broer had waarschijnlijk nog geleefd. En wat als ik was ingegaan op het aanbod van de consul van Zuid-Afrika eind 1941 om met hem en zijn vrouw mee te gaan naar Zuid-Afrika? Dan was ik in dat land waarschijnlijk rechts geweest. Toch wil ik wat ik heb meegemaakt niet dramatiseren, geen ‘wichtigmacherei’. Het zijn gewoon ervaringen, zoals iedereen in zijn leven, al is het op een heel ander vlak, ingrijpende dingen meemaakt.

 

 

Jacquelien de Savornin Lohman werd geboren op 21 augustus 1933 in Buitenzorg in het toenmalig Nederlands-Indië. Ze groeide op in een gezin met vier kinderen. Haar vader werkte bij het departement van Economische Zaken te Batavia. Hij overleed in 1944 bij het werken aan de Pakan-Baroe spoorlijn op Sumatra.

In  1946 keerde haar moeder met de kinderen terug naar Nederland. Daar doorliep Jacquelien het laatste jaar van de basisschool en ging vervolgens naar het gymnasium op het Montessori-lyceum te Overveen. Ze studeerde rechten in Leiden en in de Verenigde Staten, en promoveerde in 1975 op een proefschrift over strafrechtspleging. Ze werkte daarna een korte tijd in het bedrijfsleven en als advocaat, om in 1972 aan de Universiteit van Amsterdam te gaan werken. In 1982 werd ze hoogleraar Sociale  Hulpverlening, van 1989-1995 Jeugdhulpverlening (faculteit Onderwijskunde en Pedagogiek) aan de Universiteit van Amsterdam. Naast haar wetenschappelijke werk was ze onder meer actief in D66. In de eerste helft van de jaren negentig was ze voor die partij lid van de Eerste Kamer. Na haar pensionering maakte ze twee cabaretprogramma’s en geeft scriptiebegeleiding aan studenten.

 

Jacquelien de Savornin Lohman was getrouwd en heeft drie kinderen.

 

Bron: Die Oorlog


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven