Herinneringen

| Geen reacties

Toen mijn moeder op een dag in de winter waarop ik ijskoud thuiskwam mij voorstelde of ik niet tegen mijn gewoonte in een kopje thee zou nemen, weigerde ik eerst maar bedacht mij toen weer, ik weet niet waarom. Zij liet één van die dikke korte gebakjes halen die ‘petites madeleines ‘ worden genoemd en die er qua vorm uitzien alsof men er de gegroefde schaal van een Sint Jacobsschelp voor heeft gebruikt. Even later bracht ik teneergeslagen door de sombere dag en het vooruitzicht van de komende treurige dagen gedachteloos een lepeltje thee naar mijn mond waarin ik een stukje madeleine had gesopt. Maar op het moment dat deze met koekkruimels vermengde slok thee mijn gehemelte raakte, kreeg ik een schok en concentreerde ik mijn aandacht op wat er voor buitengewoons in mij gebeurde. Een heerlijk gevoel van vreugde waarvan ik de oorzaak niet kende, maakte zich van mij meester en isoleerde me van mijn omgeving. Waar kwam dit machtige vreugdegevoel vandaan? Ik wist dat het te maken had met de smaak van de thee en het gebak, maar dat het daar oneindig ver bovenuit steeg en van een heel andere orde was. Waar kwam het vandaan? Wat betekende dit? Hoe dit te begrijpen? Ik dronk een tweede slok en ervoer er niets anders dan in de eerste; toen een derde slok die me iets minder deed dan de tweede. Ik moest ophouden want de geheime kracht van de drank scheen te verminderen. Het was duidelijk dat de waarheid die ik zocht niet in het brouwsel zat maar in mij.

Telkens vroeg ik me af wat die onbekende ervaring was die geen enkel logisch bewijs maar wel een duidelijke gevoel van gelukzaligheid teweegbracht, van een werkelijkheid waarbij vergeleken alle andere verbleken. Wel tien keer begon ik opnieuw en boog me erover, en iedere keer raadde de ongedurigheid van het bestaan die ons van elke moeilijke opgave, van elke belangrijke prestatie wil afhouden, mij aan het maar te laten rusten, mijn thee te drinken en alleen te denken aan de zorgen van vandaag en mijn wensen voor morgen, want zonder enige moeite kon ik daarover blijven piekeren. En opeens schoot me een herinnering te binnen, die van de smaak van het stukje madeleine dat tante Leonie mij op die zondagmorgen in Combray gaf toen ik haar in de kamer goedendag kwam zeggen. Ze had het in de lindebloesemthee gedoopt. Voordat ik ervan proefde had het zien van de madeleine me nergens aan herinnerd; misschien omdat ik dit gebak zonder ervan te eten op de toonbanken van de banketbakkers had zien liggen en dat daardoor het beeld zich van die dagen in Combray had losgemaakt en zich met andere latere herinneringen had verbonden; misschien ook omdat van die zo lang uit de herinnering weggewiste herinneringen niets meer over is. Maar als na de dood van de personen en na het vergaan van de dingen van een oud verleden niets meer is overgebleven, dan blijven alleen brozer maar levendiger, immaterieel maar duurzaam, bestendiger en trouwer de geur en de smaak nog lang als dolende zielen hun leven voortleven. Ze herinneren, wachten, hopen en weten als brokstukken van al het overige, in een bijna onwerkelijk klein druppeltje, het geweldige bouwwerk van de herinnering volkomen intact tot ons te brengen. (…)

En zoals in dat japanse spel waarbij men kleine propjes papier in een porseleinen kom met water gooit die, zodra ze zijn ondergedompeld zich uitvouwen, kromtrekken, kleuren aannemen en zich differentiëren, duidelijk herkenbare figuren worden zoals bloemen en huizen, zo kwamen op dezelfde manier alle bloemen van onze tuin en die uit het park van meneer Swann tevoorschijn, de waterlelies op de Vivonne, de brave mensen uit het dorp met hun kleine huisjes en de kerk, heel Combray en zijn omgeving, alles wat vorm en vastheid bezat, de stad en de plantsoenen kwam uit mijn kopje thee.

[bron]Marcel Proust, in: Op zoek naar de verloren tijd


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven