Feuilleton – 46 – Du vin, du pain, du pindakaas : Men ontkomt niet aan zijn noodlot

| Geen reacties

Feuilleton – 46 – Du vin, du pain, du pindakaas : Men ontkomt niet aan zijn noodlot

On n’échappe pas à son destin

Men ontkomt niet aan zijn noodlot

Met een Nederlandse vriendin ga ik eieren kopen bij de buren. Zij wil ook wel eens zien hoe eenvoudig mijn buren leven. Inderdaad zie ik aan haar gezicht dat het haar stoutste verwachtingen overtreft.

Marie is na het kittenincident gelukkig weer helemaal bijgetrokken. Na voorstellen en uitwisseling van beleefdheden, wijs ik op de stokbroden in de hoge rieten stokbroodmand, en constateer: ‘U bent al naar de bakker geweest.’

‘Hij komt toch hier. Komt hij niet bij u?’ vraagt Marie.

‘Nee, hij is nog niet bij ons geweest.’

‘Hij komt één keer per week. Wij kopen voor de hele week in.’

‘Vindt u niet dat stokbrood de volgende dag taai is?’

Ohpff, wij dopen ons brood in de koffie’, zegt Jean-Claude.

Et moi dans une tasse de cacao, moi’, vertelt zijn vrouw. ‘Maar ik koop voor de rest van de week tourtes, ronde platte broden, die ik in de vriezer stop. Ik zal de bakker volgende keer naar u sturen.’

Na deze aardige geste vraag ik waar zij hun kippen- en schapenvoer kopen.

A la minoterie.’

Op mijn niet begrijpende blik legt ze verder uit: ‘De meelhandel, le moulin. Ze komen iedere vrijdag thuis bezorgen. Als u het gaat vragen komen ze ook bij u leveren.’ Ik krijg het adres en een onduidelijke uitleg waar de molen ongeveer moet zitten. Ze kan het niet goed uitleggen want de wegen zijn veranderd en zelf komen ze er nooit. Al sinds jaar en dag bellen ze de bestelling door en wordt er netjes op vrijdag thuis afgeleverd.

Mijn volgende vraag betreft de eieren.

Une douzaine, comme d’habitude?’ vraagt Marie.

‘Ja, doet u er maar twaalf alstublieft’, bevestig ik terwijl ik haar het geld alvast geef.

Vos poules ne pondent pas encore?’ vraagt Marie als ze terugkomt uit de voorraadkamer.

‘Nee, ze zijn bejaard, ze leggen niet meer.’

Elles veulent peut-être couver?’ suggereert Jean-Claude.

‘Nee, ze zijn niet broeds.’

‘O, maar dán moet u gewoon geduld hebben,’ meent Marie, ‘ze moeten nog even wennen en dan zult u zien dat ze gaan leggen.’

‘Maar ze wonen hier al twee maanden, dan hadden ze toch moeten gaan leggen?’ zegt Jean-Claude tegen zijn vrouw, waardoor me opvalt dat het tellen in weken, nu maanden geworden is. Nog even en we wonen hier een halfjaar.

‘Mijn kippen zijn vijf jaar, ze gaan geen eieren meer leggen. Ze zijn net als wij met pensioen’, bevestig ik nogmaals.

‘Vijf jaar? Waarom stopt u ze dan niet in de soep?’ merkt ze verbaasd op.

‘Ze eten toch geen vlees’, zegt haar man.

‘Maar u gaat toch wel kippen kopen?’ negeert Marie zijn ongemakkelijke opmerking.

‘Kan ik van u dan kippen kopen?’

Ah non, pas question, geen sprake van.’

Ik schrik van de felheid waarmee Jean-Claude dit zegt. Hij ziet mijn gezicht, lacht en zegt:

‘Nee, ik geef ze u cadeau. Morgen kom ik twee legkippen brengen.’

Hoe ik ook tegenstribbel, hij moet en zal morgen deux pondeuses, komen brengen.

Als hij de dieren brengt, heeft hij niet alleen de twee beloofde kippen bij zich, maar ook nog twee eenden! ‘Die heeft u beslist nodig om les limaces, de naaktslakken in de moestuin op te eten, want kippen eten niet zo veel slakken’, weet de buurman.

Ik kan hem niet vaak genoeg bedanken, maar hij wuift het weg: ‘De rien, il n’y a pas de quoi. U hebt verder toch niets aan die eenden want de eieren kun je niet eten, ze smaken vies.’

‘Maar ik heb geen vijver!’ realiseer ik me ineens.

Ohpff een grote bak water is genoeg hoor, ze hoeven zich alleen maar te kunnen wassen. Laat ze allemaal een paar dagen opgesloten zitten, zodat ze aan elkaar en de omgeving kunnen wennen. Anders komen ze bij mij terug.’

Ik vraag hem gelijk hoe we de papierwinkel betreffende de geiten moeten regelen. Hij zegt dat we een brief moeten schrijven aan de EDE, niet te verwarren met de EDF.

We voegen daad bij woord en schrijven een brief dat we alleen gesteriliseerde hobbygeiten hebben, er niet mee kunnen fokken en tegen oormerken zijn. Daar krijgen we nooit antwoord op. Wel krijgen we un numéro cheptel, kudderegistratienummer, zijn we nu eleveur, fokker, en sturen ze boucles, oormerken. De EDE, blij met weer een nieuw slachtoffer, bestookt ons vervolgens regelmatig met brieven waarin een tot hun grote spijt alweer veranderd beleid wordt uitgelegd, waardoor we weer andere oormerken moeten kopen. Gele, zalmkleurige, ijzeren merken, het is me allemaal niet duidelijk en de verzendkosten zijn duurder dan de krengen zelf. Ik wil mijn geiten écht niet oormerken, maar ben wel bang om iets tegen de regels te doen. Ik besluit de labels ver achter in een laatje te bewaren. Slapeloze nachten heb ik ervan.

Op zo’n nacht staar ik naar het knipperlampje van de nieuwe digitale elektriciteitsmeter en een meter lager zie ik de rode streepjes van de wekkercijfertjes verspringen naar 3:14… 3:15… 3:16. Het werkt hypnotiserend. Erik sleept met verhuisdozen en ik dreig te laat te komen op mijn werk omdat ik niet wakker kan worden. Ik ontwaak plots gedesoriënteerd en moet me even realiseren dat ik niet in Nederland ben. Terwijl ik me dit lig te realiseren, Erik gewoon naast me ligt en niet met verhuisdozen sleept, hoor ik wat ik in mijn onderbewustzijn al had waargenomen opnieuw. Geschuifel boven op zolder. Versuft probeer ik te bedenken wat onze gasten aan het doen zijn. Zoekt iemand iets in zijn tas? Dan verstijf ik, houd mijn adem in, we hebben helemaal geen gasten op dit moment! Het geschuifel houdt aan, er rolt wat weg. Ik por mijn zacht ronkende man wakker. ‘Erik’, fluister ik. ‘Erik, er loopt iets op zolder!’

Nadat ook hij wakker genoeg is om te horen wat ik hoor, sluipen we het bed uit. Ik, held, verberg me achter zijn brede rug. Door de helverlichte keuken sloffen we naar de zoldertrap. De honden kijken verstoord op. Fluisterend dreig ik ze dat als er een insluiper op zolder is, we andere waakhonden kopen. Ik zie ze denken: baasje en vrouwtje zijn niet goed wijs geworden, en met diepe zuchten leggen ze hun koppen weer neer. Rocky smakt nog een paar keer na. Ik heb het koud in mijn T-shirt en wil ook terug naar mijn warme mandje.

Zachtjes maakt Erik de deur naar de zolder open en nemen we de piepende zoldertrap. Na iedere heftige kraak verstarren we en houden onze adem in. Het gebonk, geschuifel en gesleep gaat onverminderd door. De bundel van de zaklamp – wanneer sluiten we het licht hier nou eens aan? – glijdt als een vuurtorenlicht over de vloer en houdt stil bij de inbreker. ‘Wat moet je?’ lijkt hij te vragen.

Nog brutaal ook? Prachtige zwarte ogen in een kop met grijs haar. Een gejatte walnoot in zijn roze schattige handjes. Groot is de inbreker. Zo groot als een flinke hamster. Een schitterende pluimstaart zoals van een eekhoorn. Ik sta ongemakkelijk op de smalle trap en beweeg. Het deert hem niet. Hij besluit dat we geen bedreiging zijn en sleept verder met zijn walnoot. Ik schrik als er een tweede verschijnt in de lichtbundel. De eerste laat zijn walnoot vallen en ze spelen tikkertje! We bekijken het brutale muizenstel nog even en keren dan verkleumd, maar gerustgesteld terug naar bed.

Via internet kom ik te weten dat deze brutale grijze diertjes loirs zijn, (relmuizen of zevenslapers). Ze delen de zolder met hun in Nederland zeer zeldzame neefjes de eikelmuizen, les lérots. Prachtige kaneelbruine schuwe muizen met een Zorro-maskertje. En natuurlijk hebben we ook hun gewone achternichtjes: de huismuizen.

Ils sont tous rats’, meent Jean-Pierre verbitterd als ik hem vertel van de doorwaakte logéloze nachten. Alles wat knaagt is voor hem een rat. Onderscheid in mooi of zeldzaam doet hij niet aan. ‘Vous devez les tuer. Sinon, ils rongent le bois.

‘Ze knagen niet zo erg aan het hout’, spreek ik hem tegen. ‘Ik wil ze niet vergiftigen, maar ze moeten wel weg.’

‘Ik snap wel dat u ze niet wilt vergiftigen, maar er zijn ook producten waarbij ze niet gaan stinken als ze dood zijn’, begrijpt hij mijn redenen om geen gif te willen gebruiken verkeerd.

Ik bedank hem vriendelijk voor zijn raad, om verder onze motieven niet te hoeven uitleggen. We zoeken lang naar muisvriendelijke muizenvallen en bij Mr. Bricolage vinden we tussen alle nare middelen om dieren te doden, zowaar wat we zoeken. We kopen de hele verstofte nooit aangeraakte voorraad van wel twee vriendelijke vallen op en gaan aan de slag. We komen er al snel achter dat muizen dol zijn op chocola. Een klein stukje kaas met een beetje chocopasta doet wonderen. De beestjes brengen we met de auto ruim twee kilometer ver het bos in.

‘Is-ie nou uit de val?’ roept Erik, mij in zijn buitenspiegel bespiedend.

‘Ja-aa, maar hij is onder de auto gekropen. Ik zie hem niet meer’, antwoord ik geïrriteerd.

‘Hij is vast allang de struiken in, kom op nou, ik heb haast’, klinkt het ongeduldig.

Als we wegrijden, kijk ik nog een keer om: ‘STOP, er ligt iets!’ gil ik.

Zuchtend stopt mijn gehaaste vriend de auto en rijdt achteruit terug. Ik spring eruit, en o, de wreedheid van het bestaan, daar ligt als een minipizza, platgewalst en uit elkaar gesplet het trieste overblijfsel van het muisje. On n’échappe pas à son destin. Zag ik daar een besmuikt lachje op het gezicht van Erik?

We blijven heel wat muizen vangen, soms zelfs twee in een kooitje! En af en toe kan een grote neef het lekkers ook niet weerstaan en vergrijpt zich. Als een dikke dame die zich per se voor een feestje in die ene strakke spijkerbroek van weleer wil persen, zit een eikelmuis gekneld in een kooitje. Maar door de honden die vaak op de zolder zijn, de kittens die er af en toe mogen spelen en de vele visite die er slaapt, vertrekken de knaagdieren binnen een paar weken naar elders.

Een andere plaag waar geen einde aan lijkt te komen, zijn de slakken. Ondanks dat de eenden zich er inderdaad in tegenstelling tot de kippen aan volvreten, en overigens onder andere daarvan wel degelijk heel lekkere groene eieren produceren, hebben we slakken in alle vormen en maten. Met eigen onderkomen of dakloos. Wit en zwart gespikkeld, bruin, oranje. Bij de buren te rade gaan blijkt geen zin te hebben. Ze hebben bakken met bier staan waar de dieren volgens Jean-Claude een gelukkige dronken dood in sterven, en ze strooien lustig met blauwe slakkenkorrels. Dat vogels die deze stervende slakken eten ook nadelige gevolgen ondervinden van het gif, had hij nog nooit over nagedacht. Als het al te erg wordt gaat hij met de pot zout aan de gang, om juist wel op alle slakken zout te leggen. De slakken sterven een wrede langzame dood doordat het zout het dier langzaam wegvreet. Maar de in Nederland beschermde escargot, de wijngaardslak die hier floreert, eet hij op.

Het enige diervriendelijke wat ik kan bedenken is vangen. Met de hand ‘plukken’. Na een regenbui overdag en ’s avonds met een zaklantaarn, vis ik letterlijk emmers vol weg uit de moestuin in wording. Trots toon ik mijn vangst aan Erik, die bijna spontaan over zijn nek gaat van het oranjebruine gekruip en geglij: ‘Gatver! Wat goor! Moet je geen handschoenen aan of zo? Je zit helemaal onder het slijm!’

‘Ik was het er zo af’, zeg ik de daad bij het woord voegend. Hoe dom kun je zijn? ‘O jakkes, kijk nou! Het wordt meer!’ roep ik kijkend naar mijn handen, waar een glibberige massa met druipende slijmdraden meer doet denken aan een goedkope horrorfilm dan aan een natuurverschijnsel. Nu is het mijn beurt om bijna te kokhalzen. Het slijm van een slak wordt meer als hij over natte grond glijdt, dus onder de kraan afwassen is funest.

‘Eh, wat nu?’ vraagt Erik duidelijk met leedvermaak.

‘Met zeep dan maar.’ Helaas maakt dit de zaak alleen maar erger. ‘Gooi eens zout over mijn handen. Slakken lossen op in zout, misschien helpt dat.’

Erik strooit lustig het hele zoutvaatje leeg over mijn handen, maar ook fout. Niets helpt. Zeker niets nattigs. Met keukenpapier, dat scheurt doordat het aan alle kanten blijft plakken aan de gore massa, wrijven we het ergste van mijn handen af. Daarna gebruik ik droog zand om de laatste resten te verwijderen. Mijn huid voelt gepeeld, maar het is eraf. Op de emmer moet ik een deksel leggen, want mijn glibberige vriendjes zijn nog behoorlijk snel en een heel aantal schuift aan de buitenkant alweer naar beneden. Dit keer gewapend met handschoenen breng ik ze naar de top van de heuvel om ze daar vrij te laten. Mijn goeie daad van vandaag weer gedaan.

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven