Feuilleton – 14 – Du vin, du pain, du pindakaas : Vele graantjes maken één brood

| Geen reacties

Petit à petit, l’oiseau fait son nid

Vele graantjes maken één brood

Nadat we de boiler provisorisch hebben aangesloten, gaan we weer verder met opruimen. De twee oliedrums met rommel branden alweer een paar dagen non-stop. We vinden wat verrotte balkresten met enorme scharnieren eraan. Dit moeten ongetwijfeld de grote deuren van de schuur zijn geweest. Het blijkt dat de deuren gestaan hebben op pinscharnieren die draaien in een steen in de grond. De bovenscharnieren hebben eenzelfde soort systeem, maar dan met een pin in een ring. We besluiten om het allemaal te bewaren en ooit de deuren in hun oude glorie te gaan herstellen.

Het opruimen van het erf heeft ook nadelen.

‘Lekke band.’

‘Hoe kom je daar nou aan?’ vraag ik.

‘Hoe kom ik er vanaf,’ antwoordt Erik, ‘maar met al die ouwe balken en troep hier op het erf zullen er wel genoeg spijkers in de grond zitten.’

In Bagneux zit een garage. Erik rijdt met vuile handen en in zijn ouwe kloffie naar het dorpje. Hier kan dat gewoon. Bij ons thuis in Nederland worden we sowieso al raar aangekeken dat we in zo’n afgetrapte bak rijden. Erik doet nu niet onder voor een Fransman van het platteland. Alleen zijn baard verraadt dat hij niet Frans is. Als hij bij de garage komt, blijkt het voor hem een eldorado te zijn. Geen keurig garagebedrijf zoals in Nederland, maar meer een rommelwerkplaats, waar tussen de wrakken en stapels onderdelen een auto op een brug staat. Op de parkeerplaats staat een oud busje waar je geen cent meer voor zou geven. De deuren zijn eruit, maar kennelijk wordt het ding nog dagelijks gebruikt. Een jachtgeweer ligt op het dashboard. Op het platteland wordt nergens moeilijk over gedaan.

De garagehouder komt vragen wat hij voor Erik kan doen en Erik wil de man een hand geven zoals het hoort. Echter, de man heeft ook smerige handen en biedt in plaats van zijn hand zijn pols aan om te schudden. Je geeft iemand geen vieze hand. En als je pols vies is, bied je desnoods je elleboog aan, maar het handenschudden hoort erbij.

Ze zijn meer dan vriendelijk. Men laat alle werkzaamheden liggen en plakken meteen zowel de binnen- als de buitenband, want de diagnose luidt: ‘Une grande pointe a percé votre enveloppe.

Lastig dat wij Nederlanders een hoop Franse woorden in onze taal hebben zitten, die niet altijd hetzelfde betekenen.

Erik bedankt de man en trekt zijn pinpas om, de overigens belachelijk lage kosten, te betalen. De garagehouder blijkt geen pinpasmachine te hebben. Maar het is geen enkel probleem: ‘U komt gewoon een keer betalen als u weer in de buurt bent. Het heeft geen haast.’

Alweer staan we versteld van de vriendelijkheid en het vertrouwen van de mensen van het platteland.

Met de geplakte band gaan we vlak na midi naar Villeneuve, zoals uitgelegd door de man van de quincaillerie. We zijn benieuwd naar deze ‘echte grote stad’. In de ogen van onze buren is het vlekje Bagneux van zes kilometer verderop een dorp. Het dorp St. Aubin met de Ecomarché is volgens hun beleving een stad. De grote stad, Villeneuve waar we nu heen rijden blijkt ongeveer even groot als zeg, Apeldoorn te zijn. Voor dit onbevolkte, of beter gezegd, ontvolkte platteland is het een metropool. Ook voor ons blijkt het inderdaad een grote stad. Niet zozeer het aantal inwoners, als wel dat de bedrijven enorm groot zijn. Immers de hele omgeving moet in deze stad alles kunnen kopen wat hij wenst.

In het centrum zoeken we naar een gratis parkeerplaats vlakbij de VVV. Hoe we ook zoeken overal is het betaald parkeren. Nergens mensen die wapperen met hun parkeerkaartje waar nog geld op zit. Mopperend parkeert Erik de Land Rover. ‘Voor hoe lang zal ik een kaartje kopen?’ vraag ik hem.

‘Zo kort mogelijk, we hoeven alleen maar een plattegrond te vragen’, bromt hij.

Ik loop naar de betaalautomaat en lees alle tarieven. Ik lees het nog eens, en nog eens. Dan kan ik mijn lachen niet houden, betaal, trek een kaartje en ren terug naar de auto.

‘Wat loop jij nou te lachen?’ vraagt mopperman nog steeds nijdig.

‘Ik heb voor twee uur erin gegooid!’

‘Moet je daarom lachen? Weer geld weg voor Jan met de korte achternaam.’
‘Nee hoor één éénfrankmunt!’

Erik kijkt me niet begrijpend aan.

‘Voor omgerekend iets meer dan vijftien eurocent sta je hier een uur. Dus ik denk, ik doe eens gek en heb voor twee hele uren een kaartje gekocht! En tussen twaalf en twee ’s middags is het gratis! Bij ons betaal je bij het winkelcentrum al twee euro voor een uur.’

Gewapend met de plattegrond beginnen we bij de Carrefour. Allereerst kun je er erg goedkoop tanken. Ten tweede is parkeren hier helemaal gratis. Verder blijkt het een compleet winkelcentrum, en de supermarkt zelf is overweldigend. Nog nooit heb ik zo veel verschillende artikelen in één winkel bij elkaar gezien! Een ongelukkige keuze vind ik dat ze het damesondergoed vlak naast de vis uitgestald hebben, maar in deze winkel kun je bijna alles voor binnenshuis kopen. Witgoed, elektronica, kleding, dierendingen, eten, drank en chocola. Heel veel soorten chocolade. De Fransen zijn werkelijk ‘chocoholics’. Deze kleine Carrefour heeft ‘slechts’ vijfenveertig kassa’s. Omdat de winkel niet sluit tussen twaalf en twee zoals gebruikelijk, dwalen we uren rond en vermaken ons kostelijk. Een prettige bijkomstigheid is dat ze hier vegetarische producten verkopen, ook al is het maar een tiende van de keuze die we bij een gemiddelde Appie Heijn hebben. In het speciale buitenlandrayon vinden we Canadese maplesirop, zoiets als stroop; Engelse drop en Amerikaanse pindakaas. Hagelslag verkopen ze hier wel maar in minipotjes en bedoeld voor taartdecoratie. Razend duur. Speculaas kennen de Fransen wel en heet hier speculoos. Producten die ze echt niet kennen zijn kapucijners, stroopwafels, zoete ketjap en vla. Ze hebben hier honderden toetjes maar geen pakken vla. Wel kleine blikjes vla voor in taartvulling. Daartegenover staat een keur van spannende groenten, kazen en wijnen, waar ik nog nooit van gehoord heb. Met een karretje vol avontuur gaan we naar de kassa’s. En ook hier hetzelfde ritueel als bij de dorps-Ecomarché. Men neemt zijn tijd.

Dan nu op naar de bouwmarkt. In Nederland wonen we vlakbij een van de grootste Gamma’s, maar de bouwmarkten hier overtreffen onze stoutste verwachtingen. Enorme loodsen met alles wat je kunt bedenken om een huis te bouwen, van fundering tot en met dak en alles wat zich daartussen bevindt. We dwalen ruim vier uur rond in een enkele bouwmarkt. We hoeven ons niet te haasten want ze sluiten pas om acht uur. In tegenstelling tot Nederland kennen de Fransen geen koopavond, maar zijn de meeste winkels tot zeven en dus zelfs zoals deze soms tot acht uur open. Ook zijn er veel winkels 7/7 open.

Lekker makkelijk dat veel producten ook in België verkocht worden en dus ook een Nederlandse beschrijving hebben. We doen duizend-en-een ideeën op voor ons huisje. Qua homedecoratie zijn ze minder modern dan in Nederland, maar verder zien we dingen die ons in Nederland nog niet opgevallen zijn. Erik is vooral verbaasd over die vele kleuren elektriciteitsdraad. ‘Ik mag wel een cursus gaan volgen voor alle normen hier’, moppert hij.

‘Hip man, paars elektriciteitsdraad!’ roep ik. ‘En kijk hier nou; houtwormgif in gezellige gezinsverpakkingvaten van dertig liter! Kom jij aankakken met je miniflesje. Dit hele vat is net zo duur als een paar van die Nederlandse flesjes! De Fransen weten wel raad met houtworm.’

Ook verkopen ze producten, zoals loodmenie, die in Nederland allang verboden zijn. De milieubewustheid staat hier waarschijnlijk op een lager pitje dan bij ons.

Dat blijkt ook de volgende ochtend als we bezig zijn een verrotte boomstronk uit de grond te werken en Jean-Pierre François een whisky komt halen.

‘Sorry voor de rommel’, zeggen we als hij over een stapel oude balken naar de voordeur moet klimmen.

‘Nee, dat is toch normaal, u werkt hard.’

Tja, Hollanders, wat wil je.

Hij vervolgt: ‘Je kunt niet alles tegelijk doen. Petit à petit, l’oiseau fait son nid. Wat bent u aan het doen?’

‘Deze oude stronk moet uit de grond.’

‘Dat moet u zo niet doen. Ik heb een goed middel’, zegt hij en loopt weg om thuis iets te gaan halen.

Als hij terugkomt, heeft hij een jerrycan bij zich waarop een hele serie oranje waarschuwingsvakjes staat. Ik bekijk het van dichtbij. Een zwart kruis nocif, schadelijk. Een pictogrammetje met reageerbuisjes die druppen op een ding dat ervan oplost. En een tekst ‘gevaarlijk voor het milieu’, met een plaatje van een dode vis en idem boom.

‘U moet een gat boren en dan dit erin gieten. Dan rot het sneller weg.’

‘Dat is toch niet goed?’ vraag ik, doelend op het milieu.

Maar Jean-Pierre zegt stellig: ‘Nee hoor, het werkt heel goed.’

 

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven