Feuilleton – 40 – Du vin, du pain, du pindakaas : Iemand van het kastje naar de muur sturen

| Geen reacties

Envoyer quelqu’un d’un endroit à un autre

Iemand van het kastje naar de muur sturen

Als de twee Even naar huis zijn begint ons leven in Frankrijk echt. Het eerste wat we dinsdag doen is naar het gemeentehuis om ons te laten inschrijven op ons nieuwe adres. We leveren netjes gekopieerd en gebundeld geboortebewijzen, uitschrijvingsbewijzen, de hele stapel papieren in. Misprijzend bekijkt de gemeentesecretaresse het geheel. Ni scotch, ni trombones et ni agrafes. Geen plakband, paperclips of nietjes. En als ze alles heeft losgepeuterd, maar ontdekt heeft dat het kopieën zijn, krijgen we de stapel weer terug. Ze wil alleen originelen die ze zelf zal kopiëren. Vervolgens vragen we adressen van de dorpshuisartsen, tandartsen en apotheken. En weet ze iemand die een septic tank kan plaatsen? Het blijkt dat de vorige eigenaar al plannen had ingediend en er vergunning voor is afgegeven, dat scheelt ons weer een hoop werk.

Ook willen we weten waar we Franse les kunnen volgen. In St. Aubin zit een groep Fransen die Engels willen leren. Er zitten daar ook Engelsen die Frans willen leren, misschien willen we ons daarbij aansluiten? Deelname is gratis als we une carte de séjour, verblijfsvergunning, kunnen laten zien. Verder adviseert ze ons lid te worden van de bieb. Een gezinsabonnement is twaalf euro per jaar. En zijn we sportief? Er zit een fijne badmintonclub een eind verderop. Vrij spelen en per week drie keer les voor veertig euro. Per jáár! Wat zijn die dingen hier goedkoop! En heeft meneer misschien interesse voor rugby? We zijn hooglijk verbaasd dat die kleine Fransoosjes aan die ruige sport doen. De secretaresse legt uit dat het populairder dan voetbal is in Frankrijk. Behalve rugby lijkt het ons allemaal wel wat en ook deze adressen voegen we toe aan onze to-do-lijst.

Omdat ze in Frankrijk geen wegenbelasting kennen, willen we graag de auto en motoren op Frans kenteken overschrijven. Dat moet bij de prefectuur gebeuren, het opperhoofd van het departement. Het kan overigens ook pas als we onze cartes de séjour hebben.

De volgende vraag is duidelijk: la carte de séjour. Het zo belangrijke kaartje dus vóór alle andere papierzaken. De gemeentesecretaresse is zo vriendelijk om de formulieren voor ons, nog met pen, men is hierin nog niet geautomatiseerd, in te vullen.

‘Ik wil graag een bewijs dat u het huis daadwerkelijk bewoont’, zegt ze even later.

‘Pardon? We hebben ons toch twee minuten geleden hier laten inschrijven? U hebt een kopie van het koopcontract in uw bezit.’

‘Ja, het toont aan dat het huis van u is, maar ik moet ook een bewijs hebben dat u er echt woont.’

‘Hoe kunnen we nu bewijzen dat we er ook echt wonen?’ vraag ik haar verbaasd.

‘Bijvoorbeeld door een rekening van France Telecom, of van de EDF, daaraan kunnen we zien dat u verbruikt en dus in het huis woont. U moet altijd de laatste nota bij u dragen als u formulieren gaat invullen. Alle instanties in Frankrijk hanteren dit.’

Tuurlijk? Het gaat ons begrip te boven, maar we zullen het nog langsbrengen.

Verder heeft ze een bewijs van ons inkomen nodig om aan te tonen dat we in onze eigen lasten kunnen voorzien en niet de Franse staatskas zullen beroven door uitkeringen aan te vragen. De in het Frans opgestelde brief van de bank waarin ons toekomstige jaarlijkse rente-inkomen vermeld staat, accepteert ze. Dan heeft ze onze Franse ziektekostenverzekering nodig. Helaas, die hebben we nog niet. Tja, dan kan ze les paperasses niet verder invullen. Einde verblijfsvergunningsaanvraag.

Een heel stuk wijzer staan we een halfuur later weer op straat. Het belangrijkste lijkt ons om eerst de ziektekostenverzekering te gaan regelen. Dus naar huis om te bellen met de Engelse kennissen, om te vragen welke ziektekostenmaatschappij zij hebben en ook nog even te vragen wie hun huisarts is. Wat is er makkelijker dan een telefoontje?

Dat valt tegen als je lijn dood blijkt te zijn. Wat nu? Zijn we plotseling weer afgesloten? Blikseminslag gehad? Met een mobieltje bellen we naar France Telecom. Er worden me in rap Frans, door een automatische dame, meerdere keuzes gegeven en ik hoop de goede te hebben gekozen. Dan moet ik het telefoonnummer intikken waarvoor ik bel. Een aardig dameskoor zingt ons toe te wachten, hoewel het in plaats van attends meer klinkt als vas t’en, rot op. Na tien minuten, de computerdame had dat al voorspeld, krijg ik een meneer aan de lijn.

Ma ligne est en panne.

‘Wat is het probleem, mevrouw Boem?’

‘Ze is dood.’

Ne me quittez pas.

‘Niquita pas?’ vraag ik, wat zei hij nou?

Oui, ne me quittez pas.

Non, excusez-moi, mais je ne vous comprends pas, ik begrijp u niet.’

‘Deunt zjoe lief mie’, klinkt het als een liefdeslied in gebroken Engels uit de hoorn.

Nee, natuurlijk ga ik niet weg. Hij zegt dat hij de lijn op afstand gaat controleren.

‘Uw lijn is inderdaad dood. We sturen binnen een week un technicien. France Telecom bedankt u voor uw verzoek en wenst u nog een prettige dag.’

Wat aardig. Een week is wel lang, maar we doen het er maar mee.

Engelsman Bill biedt aan zijn verzekeringsagent voor ons te bellen, en even later weten we dat de man nog diezelfde avond al bij ons langs zal komen!

Om maar zo snel mogelijk veel spijkers met koppen te slaan, rijden we vervolgens naar de septictankman. Le plombier en le ramoneur van het dorp. Het is lunchpauze en volgens insiders is dit de beste tijd om de Fransen thuis te treffen als je iets van ze wilt. Het schijnt niet onbeleefd te zijn. Inderdaad heeft de loodgieter en tevens schoorsteenveger er geen problemen mee dat we zomaar langskomen en hij belooft voor het weekend nog te komen om un devis, offerte, op te maken. Ook weer geregeld.

Wat nog meer op het lijstje? O ja, de huisarts. Om in ieder geval te weten waar hij zitting heeft, rijden we bij zijn praktijk langs. Hij blijkt toevallig die middag inloopspreekuur te hebben en waarom ons niet meteen even introduceren? Het is net na tweeën, maar er staan al wat auto’s. Vlak voor ons gaat een mevrouw naar binnen. In de wachtkamer geeft ze iedereen een hand. Bijzonder. We besluiten maar netjes haar voorbeeld te volgen. En dan komen we voor het eerst in aanraking met de doktershoppingcultuur in Frankrijk. Je gaat niet even snel naar de dokter. In Nederland heeft de beste man hooguit tien minuten voor je, hier neemt men nog alle tijd om naar de verhalen van de dorpelingen te luisteren. Na een uur verveeld door blaadjes bladeren die we niet kunnen lezen en pas drie patiënten verder, twijfel ik ernstig of we niet weg zullen gaan. Nog vijf mensen voor ons. Gelukkig blijken het slechts twee echtparen en dan nog die ene mevrouw te zijn. Bij vieren zijn we eindelijk aan de beurt.

Een vriendelijke jonge arts schudt ons hartelijk de handen. Hij had al over ons gehoord van de andere patiënten die in de wachtkamer zaten. We leggen uit wie we zijn en dat we zijn naam van de Engelsman hebben gekregen, van wie hij de huisarts is.

‘Ik ben niemands huisarts. Ik weet dat men in Nederland en Engeland een vaste huis- en tandarts heeft, maar dit hoeft hier in Frankrijk niet. Waar woont u?’

Ik leg uit waar we wonen.

Ah, la veille maison de… euh… monsieur Machin.

‘Wij hebben het van een Nederlander gekocht, maar ik dacht niet dat de eigenaar daarvoor Machin heette’, werp ik beleefd tegen.

‘Nee, hij heette niet meneer Machin, het is een uitdrukking zoals truc.’ Meneer Dinges begrijpen we nu.

‘Monsieur Valet!’ schiet de arts nu te binnen. ‘Is het uw vakantiehuis?’

‘Nee, we hebben ons hier definitief gevestigd. Nous nous sommes installés.

Bien. En wat kan ik voor u doen?’

‘Nou niets, we kwamen ons voorstellen.’

‘U komt niet met een klacht?’ Hij is verbaasd.

‘Nee, we zijn niet ziek.’

‘U hebt verder geen klachten en u gebruikt geen medicijnen?’

We schudden ons hoofd en zitten ongemakkelijk tegenover elkaar, nu het doel van onze visite niet een normaal doktersbezoek blijkt te zijn.

Bon, ben, en wat gaat u hier doen? Werken?’ vraagt hij vervolgens dan maar.

‘We willen autosuffisant, zelfvoorziend zijn.’

‘Ah, u gaat uw eigen groenten kweken. Dieren fokken en slachten. Ik heb ook twee varkens.’

‘Nee, we zijn vegetariërs.’

Hij ziet meteen een ingang om toch zijn beroep te kunnen uitoefenen: ‘Eet u dan wel genoeg soja en noten?’

Met deze wijze raad willen we afscheid nemen van onze nieuwe huisarts, maar voor we weggaan nog even betalen graag. Dit is nu weer vreemd, om voor nauwelijks vijf minuten, zonder dat hij iets heeft hoeven doen, een goede twintig euro, te moeten afrekenen. Maar vooruit, we zullen de prettige kennismaking niet verpesten door te protesteren.

’s Avonds komt inderdaad de verzekeringsagent van AGF langs voor een privéziektekostenverzekering bij April. Een van de grootste en goedkoopste ziektekostenverzekeraars. Speciaal voor ons praat hij langzaam en duidelijk en hij wil de formulieren gaan invullen.

‘Mag ik uw cartes de séjour zien?’ vraagt hij.

‘Die hebben we nog niet, want daarvoor moeten we eerst uw ziektekostenverzekering hebben’, roep ik verontwaardigd uit.

‘Nee, u kunt geen enkele verzekering krijgen zonder verblijfsvergunning.’

‘Maar dan zitten we in een vicieuze cirkel! Dan kunnen we beide dingen nooit aanvragen!’ zegt Erik verbaasd.

‘Ik heb dit wel meer bij de hand gehad, dan moet u bij het gemeentehuis een kopie van uw aanvraagformulieren van de verblijfsvergunning opvragen, die aan mij sturen en dan kan ik uw ziektekostenverzekering gaan regelen.’

Dat spreekwoord hè: van het kastje naar de muur…

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven