Feuilleton – 23 – Du vin, du pain, du pindakaas : Iemand het vuur na aan de schenen leggen

| Geen reacties

Mettre quelqu’un sur le gril

Iemand het vuur na aan de schenen leggen

De dagen erna bestaan vooral uit ons erf opruimen, opruimen, rommel verbranden, troep sorteren, o ja, opruimen, rekenen, plannen maken en bellen naar Nederland. We genieten van de voorpret hier ooit te mogen wonen. Met familie inlichten wachten we tot we weer in Nederland zijn. Zoiets moet je niet even tussen neus en lippen door vanaf je mobieltje doorbellen. We zijn in de zevende hemel. Stel dat het doorgaat dat we ons huis kunnen verkopen. We proberen ons een voorstelling te maken van permanent hier op deze prachtige plek te kunnen wonen. Zonder werk? Gaan we echt bij thuiskomst over ruim twee weken ons werk opzeggen?

Op een broeierige donderdagmiddag, of is het nu vrijdagmiddag? We raken de dagen kwijt. Zo heel anders dan in het drukke Nederland waar iedereen met een agenda leeft. Op een middag dus, trillen de ruitjes in hun sponningen als er een vliegtuig met een enorme klap door de geluidsbarrière gaat. Meteen knalt de EDF-stroom eruit en kunnen we weinig meer dan relaxen. Na een douche te hebben genomen, droog ik op een bankje voor het huis in mijn zuurstokroze duster mijn haar aan de wapperende wind en zie ik in het gehuchtje een kilometer verderop iemand een fikkie stoken. Erik komt met een biertje en limonade aanlopen en komt bij me op het bankje zitten.

‘Die Fransen zijn ook niet goed wijs hoor, om met zulk droog weer je vuil te gaan verbranden’, zeg ik terwijl ik in de verte wijs.

‘Nee, dat hoef je in Nederland niet te flikken’, beaamt Erik.

‘Want dan gaat het fikken’, rijm ik rappend.

We grinniken en genieten van de warmte en ons drankje.

‘Het is wel een heel erg groot fikkie’, zegt Erik na een paar slokken uit het flesje en staat op om de verrekijker te pakken.

‘Het gaat daar niet goed!’ constateert hij als hij door het ding kijkt.

Op hetzelfde moment komt er een helikopter overvliegen, die boven het brandje blijft hangen. Milieupolitie of…

‘Jezus Roos, er staat iets heel groots in de brand!’ schreeuwt Erik ineens. ‘Straks slaat het over naar het bos, we moeten gaan helpen.’

Snel schiet ik in mijn kleren en trek het dichtstbijzijnde schoeisel aan dat ik kan vinden, kaplaarzen.

Erik is al bezig de Land Rover uit de schuur te rijden en onder het rennen grijp ik een spa en een schep. Ik mik de dingen in de laadbak en werk me in de al rijdende auto. Erik heeft er een rotvaart in en over het weggetje stuiteren we naar het dorpje.

Hoe dichter we in de buurt komen, hoe erger de brand blijkt te zijn. Tussen de weg en het vuur zit een dikke honderd meter weiland en we weten niet hoe we met de Land Rover dichterbij kunnen komen. Erik parkeert langs het prikkeldraad. Als een kreupele leunend op de spade, klauter ik weinig charmant over het prikkeldraad dat Erik voor me omlaag houdt. Ik krijg het uiteraard voor elkaar om met de binnenkant van mijn spijkerbroek te blijven hangen en door een prachtige winkelhaak kan iedereen mijn witte dijbeen bewonderen. Fijn. Met de scheppen gewapend rennen we naar de bosrand, waar een vuur zo groot als een vrachtwagen oplaait. Er staat daar duidelijk iets anders dan bomen in de brand. Het lijkt alsof we op de helikopter na, de enige zijn die het gezien hebben. We stappen door een armzalig stroompje dat in andere jaargetijden vast een snelstromende beek is. Hijgend komen we aan bij de brand. Hitte weerhoudt ons dichtbij te komen. Zwarte rookwolken gaan de hoge vlammen vooruit. Het blijken rollen kuilgras in plastic te zijn, twee hoog gestapeld. Daar is geen redden meer aan. Als het zo snel gaat, dan lopen de huizen van het dorpje op zo’n vijftig meter afstand gevaar. Met op ons netvlies de tv-beelden van angstaanjagende bosbranden uit nog zuidelijker Frankrijk, beginnen we in het bos te meppen op de vlammetjes die over de droge bosgrond lekken. Het zal toch niet zo zijn dat zo’n bos eraan gaat, of dat het overslaat naar ons bos en ons huis, wat is nou een kilometer in natuurbegrippen?

We schoppen en stampen vlammetjes uit. We blijven maar slaan met de scheppen. Het helpt wel, maar het is zo veel en het gaat zo snel verder. De bosbodem is bezaaid met dode takken en dorre varens die fantastisch voedsel zijn voor de hongerende vlammetjes. Dode stekelige braamstruiken belemmeren ons bij diverse nieuw ontstane vuurhaardjes te komen. Dicht bij het kuilgras kunnen we vanwege de hitte niet eens komen, maar die zijn ook niet het belangrijkst. Af en toe kijken we om ons heen waar de dorpsbewoners blijven. Niemand schijnt het op te merken.

‘Moet ik naar dat huis rennen?’ schreeuw ik boven het bulderende geluid van de brandende balen uit.

Erik zweet als een otter en haalt zijn arm langs zijn gezicht, ‘Het lijkt hopeloos!’

Dan horen we boven het razen van de vlammen een ander geluid. De helikopter is terug! Even denk ik nog dat hij komt blussen, maar het is geen Australië en er hangt geen waterzak onder. Sterker nog, de storm ontketend door de wieken, wakkert het vuur juist aan! Dan horen we stemmen. Hè, hè, eindelijk, mensen. We herkennen Mimi, de beide buurmannen en een paar van de boeren die naar ons toekomen. Geschrokken gezichten. Onder het lawaai begrijpen we dat de mensen niet hadden gezien dat er hier ook een brand was. Ze wijzen naar een andere hoek van het bosperceel. De dunne slierten rook geven aan dat het daar ook brandt. Dit hadden wij weer niet gezien.

‘Er was een heel grote knal,’ vertelt een man, ‘en toen bleek dat alles in brand stond.’

Nog even denk ik dat die straaljager die door de geluidsbarrière ging misschien is neergestort. Dan begrijp ik dat die knal die wij gehoord hebben geen vliegtuig, maar letterlijk een donderslag bij heldere hemel is geweest. Vandaar ook dat de elektriciteit meteen uitgeslagen is. Uit het moeilijk te volgen verhaal, deels ook omdat wij blijven meppen terwijl meneer alleen maar praat – irritant waarom doet die man nou niets – begrijpen we dat de bliksem in het ijzerdraad van het weiland is geslagen. Het schrikdraadapparaat dat op het ijzerdraad en de 220 aangesloten zat, is opgeblazen en op de een of andere manier heeft dit de hele omgeving zonder stroom gezet. Het draad zelf heeft als een geleider gewerkt en over vele tientallen meters alles wat erbij in de buurt stond, in de hens gezet. Inclusief de rollen die tegen de vraatzucht van koeien afgezet waren met hetzelfde schrikdraad. Nu zien we ook dat overal waar het weggesmolten ijzerdraad heeft gelopen, de grond zwart geblakerd is. Hier en daar flakkeren vlammetjes op. Steeds meer mensen verzamelen zich rondom de brandende balen. We zijn de enigen die actie ondernemen! Ik heb dan nog wel begrip voor Dupont, de eigenaar die lamgeslagen is van schrik, maar niet voor de mannen die met hun handen in hun zakken de nog overgebleven hei eens komen overkijken. Mijn Frans is niet voldoende om de mannen aan te sporen tot actie en we slaan stug door.

De helikopter landt op het weiland en er stapt un gendarme uit. De heli stijgt weer op, het vuur wéér extra aanwakkerend. De boeren verdwijnen uit zicht achter de grote brandstapel en de agent komt op ons aflopen. Omdat wij als enigen iets doen, neemt hij aan dat wij de eigenaar van het bosperceel zijn. Ik veeg plakkende haren uit mijn bezwete gezicht en houd op met het doven van de vlammen. ‘Nee, wij zijn niet de eigenaren, dat is meneer Dupont’, wijs ik in de richting van de verdwenen boeren.

‘Ja, want balen hooi mogen namelijk niet zo opgeslagen liggen.’

Fijn en wat moet ik met die informatie?

‘En het onkruid hoort verwijderd te zijn onder schrikdraad dat langs een bos loopt’, stelt de agent nog eens.

‘Het bos is echt niet van ons, u moet die man daar hebben.’ Ik wijs weer.

Met twijfel op zijn strenge gezicht besluit de agent dan toch maar eens met de aangewezene te gaan praten. Duidelijk is dat je niet zomaar het bos van een ander gaat blussen. Dit laat je aan de eigenaar zelf over.

Op dat moment draait de wind en ineens schieten vlammen langs dode klimop de bomen in. De hitte slaat ons in het gezicht en we moeten weg van het plekje dat we verdedigen tegen de vlammen. Boven het brullende geluid van de vlammen uit horen we gekraak. Versplinterend hout. Een hoog suizend geluid. Tegelijk kijken we om. Een paar meter van ons vandaan valt een jonge dode boom om. ‘PAS OP!’ schreeuwt Erik naar me. We willen wegrennen. Maar het boompje, eigenlijk niet veel meer dan een dikke tak, snijdt ons de pas af en zet over een lengte van een meter of zes een nieuw stuk bosgrond in de hens. Behalve dat we hem bijna op ons hadden gekregen, zijn we nu praktisch afgesloten door het vuur. Het lijkt wel een slechte film. Een paar meter schuin voor ons brandt het nog niet, voor de rest zijn we omsloten. Shit, dit begint uit de hand te lopen! Dit gaat echt fout! Moeten wij hier nou de held gaan spelen? We rennen door de opening en staan behoorlijk onder de indruk te kijken naar de vuurhaard die al bezit heeft genomen van het stukje waar wij zonet nog stonden. We ademen hitte in. Ik begin te hoesten. Mijn tranende ogen beginnen zeerder te doen. De vlammen laaien steeds hoger op. Tijd voor meer afstand. Dan voel ik dat mijn voeten erg heet zijn. Té heet. Verschrikt kijk ik onder mijn laarzen en zie dat het profiel van mijn kaplaarzen al aan het smelten is. Waar blijft toch die brandweer? Langzaam dringt het besef ook tot de dorpsbewoners door dat het misschien niet alleen om het bos van Dupont zal gaan, maar dat ook belendende percelen gevaar lopen.

Wildfire At Forest, Burnt Tree In FlameMet inmiddels een twintigtal mannen en vrouwen vormt men een lijntje naar het stroompje. Emmers worden doorgegeven. Zelfs Dupont doet nu wat. Hij staat buiten de lijn en zwaait met zijn armen en wijst. Niemand weet waarnaar en niemand trekt zich iets van hem aan. Ik zie Jean-Pierre in de rij staan. Met zijn tachtig jaar op zijn ruitpantoffeltjes. Als het niet zo ernstig was had ik moeten lachen. Een paar mannen begrijpen het systeem niet helemaal en denken dat het een soort tienkampestafette is. Als ze aan het eind van het lijntje bij de vuurhaard staan en het water in het vuur hebben gegooid, rennen ze met de lege emmer terug naar de beek, in plaats van hem terug te geven de lijn in. Men begint zenuwachtig te worden. Iemand gooit zijn hele emmer met water en al in het vuur, het water erin kan niet voorkomen dat de emmer onmiddellijk in een modern plastiek veranderd. Men scheldt op de boosdoener. Het lijkt wel een klucht.

Dan eindelijk… eindelijk na twintig minuten arriveren les sapeurs-pompiers op het weggetje. We zien de enorme rode vrachtauto stoppen. Eén brandweerwagen maar? Voor een hele bosbrand? Een beest van een wagen dat wel, hoge banden, enorm profiel, veel grondspeling, duidelijk toegerust voor ruig terrein. Ja… en dan walst hij nu gewoon het prikkeldraad plat en komt door het land en de beek naar ons toe, denk ik. Niets van dat al. Een brandweerman stapt uit, loopt door het weiland en gaat met Dupont in gesprek. Er wordt druk gewezen en met de handen gesproken. Brandweerman loopt terug naar de vrachtwagen al pratend in zijn talkie-walkie, ja inderdaad Fransen draaien alles om, zelfs ook afkortingen, en… ze rijden door! Nou ja! Even later komen ze weer terug, ze konden natuurlijk niet keren op het smalle weggetje en rijden via het erf van Dupont. Ze naderen door het weiland het stroompje. Koud kunstje zou je denken voor zo’n grote vrachtwagen met zulke enorme banden. Dus niet. Ze gaan niet door het beekje? Kostbare tijd gaat zo verloren. Vlak na deze wagen arriveren er nog meer. Sommige auto’s lijken rechtstreeks uit een museum te komen, andere uit een sciencefictionfilm. Achter iedere voorruit prijkt een rood bord met de plaatsnaam waar ze vandaan komen. Ik verwacht nu dat er deuren opengesmeten worden, stoere gehelmde mannen in ruige pakken die slangen uit gaan rollen, pompen die in de beek worden gehangen, actie! Welnee.

Op hun gemak stappen er uit iedere wagen een stuk of acht mannen. Alsof het een gezellig brandweerwagentreffen is, worden er handen geschud, hier een daar nota bene een sigaretje opgestoken, gelachen en gepraat. Dit is toch NIET te geloven! Ik zou er wel heen willen rennen en willen gaan schreeuwen. Interesseert het dan niemand iets dat er hier een stuk natuur affikt? Kennelijk lopen er geen huizen gevaar en dan is het niet belangrijk genoeg. Wel goed te weten dat ons huis dan ook geen risico loopt, maar hier is toch wel sprake van een ‘klein’ cultuurverschilletje.

Uit een van de laatst aangekomen wagens stapt de brandweercommandant, duidelijk herkenbaar aan de indrukwekkende hoeveelheid strepen op de bovenarm. Gehaast rent hij naar de bosrand. Hè hè, eindelijk iemand die wat doet. Hij maakt een ronde langs alle brandhaarden en na tien minuten staat hij weer bij ons. Hij trekt een paar bossen nog groene varens uit de grond en begint daarmee op de rand van vlammen te slaan. Ondertussen schreeuwt hij orders in zijn talkie-walkie en een paar wagens moeten om gaan rijden naar de achterzijde van de brand. Door de vijf overgebleven wagens worden dan nu eindelijk de acties uitgevoerd die ik had verwacht. Wij pakken ons mepwerk weer op en de brandweercommandant komt op ons aflopen en sluit zich bij ons aan. Hij legt uit dat we met de scheppen het risico lopen het vuur juist aan te wakkeren. Het beste zouden we helpen met een stok met een natte juten zak eraan. Maar ja, waar haal je dat zo gauw vandaan. Inderdaad lijkt hij met zijn bosje varens meer vlammen uit te doven dan wij. Wanneer na weer een paar meppen Eriks schep breekt, proberen wij het ook eens met varens. Echt prettig zo met je gezicht dicht bij de grond is het niet en we moeten het uitslaan van de vlammen opgeven. We willen net in het doorgeeflijntje gaan staan als dan eindelijk de brandweermannen beginnen met blussen. Nu wordt Dupont ineens wakker: ‘Mes chênes, protégez mes chênes!’ Ik heb het helemaal gehad en wil naar huis. Hoe is het mogelijk? Een enorm bosperceel staat in de brand, dieren zullen er door sterven, andere percelen en huizen lopen misschien gevaar, doordat híj zijn omheining niet onkruidvrij heeft gehouden en híj tegen de regels kuilgras naast een bosrand opslaat, en het enige waar hij dan om geeft is zijn pensioenvoorziening; zijn eikenbomen.

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven