Feuilleton – 13 – Du vin, du pain, du pindakaas : Daar is geen droog brood mee te verdienen

| Geen reacties

Ça ne rapporte pas un sou

Daar is geen droog brood mee te verdienen

Het eerste wat we die zondagochtend doen is in Bagneux brood halen bij de winkel. Op een papiertje op de deur staat: ‘dépôt de pain’. Geen bakker dus, maar een broodverdeelpunt. Het blijkt een piepklein ‘supermarcheetje’, met een eveneens heel klein vrouwtje achter de toonbank. Ze praat met een klant. In deze winkel van vijf bij vijf is alles, behalve de prijzen, mini. Hoe kan zo’n winkel bestaan? Zeker met zulke hoge prijzen. Later zullen we horen dat dergelijke kleine dorpswinkeltjes door de gemeente gesubsidieerd worden om ervoor te zorgen dat de dorpelingen hun boodschappen hier kunnen blijven doen. Anders zouden zulke winkeltjes allang weggeconcurreerd zijn. Ze moeten het dan hebben van mensen zoals meneer François die de vallei niet uitgaan voor boodschappen.

Van de meeste houdbare artikelen staat er slechts één exemplaar. Behalve de wijn, die is oververtegenwoordigd. Het koelvak biedt een keur aan lekkere kazen en toetjes, waarvan bij de meeste de datum is verlopen. In hetzelfde vak speur ik naar melk, gewoon verse melk zoals je die in Nederland koopt. Ik zie het niet staan, en ook geen plekje waar het normaal zou staan en het nu toevallig op is. ‘Avez-vous du lait frais?’ vraag ik.

‘Nee, dat verkoop ik niet.’

‘Nooit?’

‘Nee, u zou het eens in St. Aubin kunnen proberen, daar hebben ze het misschien wel.’

‘Misschien? Wij drinken iedere dag melk’, zeg ik verbaasd.

‘Hier niet. Wij drinken geen melk. Dat is voor kalveren en baby’s.’

Tot zover mijn vooroordeel over de stoere Nederlanders en de Fransen als zijnde doetjes. Wie zijn hier nou de watjes?

Maar geen verse melk, dat belooft niet veel goeds. Vooral Erik drinkt meer dan een liter melk per dag. Wat moeten we nou zonder melk? Ze legt uit dat geheel ontvette melk dan nog het beste smaakt. Uit nood neem ik maar zo’n pak houdbare melk, lait écrémé. Een vriendelijk bergdorpje staat erop afgebeeld. Ze heeft nog een merk wijst ze. Het pak met de boom had ik niet herkend als melk. Waarom staat er geen koe op het pak, zoals in Nederland?

Een winkelmandje heeft ze niet, je moet het gewoon in je tas stoppen zoals we eerder zagen, en aangezien ik geen tas heb, loop ik dus met mijn armen vol naar de toonbank. Achter haar staan diverse soorten heerlijk wit brood in een houten rek. Bruin brood zie ik niet, maar dat heeft ze misschien achter. Wel ronde broden, dunne en dikke stokbroden. De andere klant vraagt: ‘Je voudrais un pain.

Un demi, comme d’habitude?’ vraagt ze.

Hij knikt. Kennelijk neemt hij altijd een half brood. Lang geleden dat ik ergens slechts, van een heel, een half brood heb afgenomen. Grappig dat dit hier nog kan. De man betaalt en groet ons vriendelijk.

De lange dunne broden doen me watertanden, daar wil ik er wel een van. Ik praat de man na. Ze pakt een dik stokbrood. Dat was niet mijn bedoeling. Ik wijs naar de dunne broden. ‘Ah, ce n’est pas un pain, c’est une baguette!’ wijst ze me terecht.

Et un pain noir’, vraag ik.

Peignoir?’ herhaalt ze verbaasd.

Wat heb ik niet goed gezegd? Ik heb toch in het woordenboek opgezocht dat bruin brood, hier zwart brood wordt genoemd. Omstandig leg ik in heel veel woorden uit wat ik bedoel. Uiteindelijk snapt ze me en roept uit: ‘Ah, vous parlez d’un pain complet! Non je n’ai pas ça.

We moeten nog veel leren. Als we thuis brunchen, smaakt de baguette er niet minder lekker om.

’s Middags gaan we met de paarden een rit maken. Erik op Thunder, ik in een karretje door Shetty getrokken. Wat een geweldige ervaring om zomaar de bossen in te kunnen rijden en gewoon ieder pad te mogen nemen dat we willen. Thuis zijn we ook verwend met bossen, maar daar móét je op de ruiterpaden blijven, wat dan toch de variatie en het avontuur ernstig beperkt. Ons enthousiasme slaat over op de dieren en nog nooit zijn ze zo prettig voorwaarts geweest. We dwalen uren door de natuur zonder een mens tegen te komen. Als wij de weg kwijt zijn, laten we de dieren de vrije teugel. Het is ongelooflijk dat zij na een dag al een kompas in hun hoofd hebben en rechtstreeks de weg terugvinden naar huis.

Overigens net op tijd, de lucht is al groenig en een onweersbui barst los. Gehaast zetten we de dieren in de schuur en rennen naar binnen. In de Franse plattelandshuizen is het altijd donker door de weinige kleine ramen, maar nu met dit weer zie je geen hand voor ogen. Ik klik de schakelaar van de lichtknop omhoog. Nog echt zo’n heel ouderwetse ronde van verchroomd ijzer met een palletje. Er gebeurt niets. Met een zaklantaarn doorzoekt Erik in de slaapkamer de stoppenkast. Ja, vreemd genoeg zit die in de slaapkamer. En stoppenkast is trouwens wel een heel groot woord. Het is niet meer dan een plank met een teller, drie zekeringen en wat elektriciteitsdraden erop geschroefd.

‘Moet je kijken, dit is nog uit negentienhonderdvierenzestig. Dat was een goed bouwjaar!’ roept Erik refererend aan zijn eigen geboortejaar. ‘De bedrading is gelukkig nieuwer. Het is niet meer met katoen omwikkeld. En heb je deze stoppen gezien? Kijk nou, die zijn nog prehistorisch! Gelukkig ligt er nog een nieuw doosje met reservestoppen. Die antieke dingen kun je hier vast nog gewoon kopen. Maar niets aan de hand hoor, de automaat is eruit geknald.’

Ik hoor geklik vanuit de slaapkamer. Er gebeurt niets.

‘O, het is de automaat niet, we hebben helemaal geen stroom meer’, zegt hij laconiek.

Buiten wordt het door het slechte weer, snel donkerder. Het onweer hangt boven onze vallei en kan de heuvel achter ons niet over. De flitsen en klappen volgen elkaar direct op. Het machtigst vind ik de klappen die de hemel in een krakend staccato in tweeën lijken te scheuren. Onder de indruk van dit natuurgeweld, kijken we naar buiten over de vallei. De lucht heeft een surrealistische groene kleur. De bui drijft weer terug en een imposant schouwspel ontvouwt zich voor ons. De bliksemschichten flitsen horizontaal boven de verderop gelegen bergen. Nu valt ineens op dat er nergens licht brandt. Meestal kunnen we vanuit ons huis als het donker is, wel ergens in de verte een lichtje zien van het dorpje. ‘Zou de elektriciteit overal uitgevallen zijn?’ vraag ik.

‘Zou best kunnen, alle draden lopen hier nog boven de grond, er hoeft maar zo’n paal te breken, of een boom erop te vallen en dan heb je natuurlijk geen stroom meer.’

‘Dan ligt het misschien niet aan ons.’

‘We zien wel, laten we maar eens gezellig het vuur aanmaken en de kaarsen aansteken. Dat past wel in zo’n oud hutje. Back to basics.

Na een halfuurtje rommelt het buiten nog steeds flink, maar we proberen weer eens of er stroom is en zowaar die is terug. We hebben honger en ik gebruik een elektrische tweepits campingplaat om op te koken. Om vast op te schieten kook ik water voor de aardappels in een waterkoker. Fout, meteen is het donker.

‘Weer de automaat eruit! We zouden drie kilowatt moeten hebben, maar volgens mij stond er niet zo veel aan toch?’ vraagt Erik.

‘Alleen de kookpitten en de waterkoker. En de lamp. En je laptop. O, en de koelkast natuurlijk.’

‘Dat kan dus niet tegelijk. Vandaar dat er in iedere kamer maar één lamp en twee stopcontacten zitten. Er zijn ook maar twee groepen. Je zult keuzes moeten maken, wat je aanzet. Het kan niet allemaal tegelijk’, zegt mijn praktische man.

‘Oké, dan doen we heel gezellig. veel kaarslicht als we koken, en creatief met de apparaten zijn.’ Ik vind het heerlijk, dat kneuterige.

Hoewel het onweer nu een kilometer of twee weg is, zijn de klappen nogal hevig. Ineens zie ik vanuit mijn ooghoek iets blauws over de muur schieten.

‘Zag je dat?’ roep ik uit.

‘Wat?’

‘Volgens mij was het een vonk!’

‘Waar?’

‘Daar over de muur!’

Terwijl we allebei kijken gebeurt het weer. Twee knetterde blauwe vonken slaan uit een stopcontact en schieten een stuk over de muur, om in het niets op te lossen.

‘Wauw, heftig! Ik kan maar beter mijn pc uitdoen, die vindt dat vast niet leuk.’

Het stopcontact dat we wel gebruiken en waar een stekkerblok met diverse verlengsnoeren op zit aangesloten, lijkt normaal te werken. Het lege stopcontact waar de vonken uit komen, kunnen we toch niet gebruiken omdat het op een onhandige plek zit. Maar spannend is het wel. Letterlijk.

Duidelijk is dat de elektriciteit het eerst aangepakt moet worden. Überhaupt nu we dan weten dat het vakantiehuis van ons zal worden, kunnen we voorzieningen gaan treffen. Zo is er bijvoorbeeld geen warm water. Er hangt wel een boiler, maar die is niet aangesloten. Het vijftien millimeter pijpwerk dat we hiervoor uit Nederland hebben meegenomen blijkt niet te passen omdat de Franse maten anders zijn. Het meeste is hier in veertien millimeter uitgevoerd. Een goede les en voortaan kopen we alles hier in Frankrijk. Niet alleen vanwege de maten, maar omdat het gewaardeerd wordt door de omgeving, als we ons geld hier op het platteland besteden.

Maar op het platteland hebben we nog geen bouwmarkt gezien. Aan meneer François die op de vroege maandagochtend ook al courgettes en daarbij nog tomaten komt brengen, vragen we waar hij zijn bouwmateriaal koopt.

‘Ik heb geen bouwmateriaal nodig. Als er iets kapotgaat, komt er un mécanicien. Wat moet u hebben?’

‘Elektriciteitsspullen en materiaal om de boiler aan te sluiten’, antwoordt Erik.

‘Maar dan kunt u toch l’électricien et le plombier bellen?’ vraagt Jean-Pierre verbaasd.

‘We willen het graag zelf doen.’

Ah, vous êtes un petit bricoleur! De Outiror komt vrijdag in het dorp. Daar kunt u vast alles krijgen.’

‘We willen eigenlijk vanmiddag al aan het werk. Weet u of er in St. Aubin een winkel zit?’

‘Ik kom er nooit, maar daar zit de Kinkajerie. Als je bij de Ecomarché doorrijdt en dan…’ Jean-Pierre François legt ons uit waar we moeten zijn.

We gaan op zoek naar de Kinkajerie. Zeker weer zo’n samenvoeging die de Fransen gebruiken. Daar zijn ze dol op, alles afkorten of samenvoegen. We hebben nog nooit van deze winkelketen gehoord en als we op de aangegeven plek komen, vinden we daar een ‘van-alles-wat-winkeltje’. Geen levensmiddelen, maar verder kun je het zo gek niet bedenken of ze hebben het wel. Van spijkers tot kettingzagen, verf, elektriciteit et cetera. Een heel praktische, maar alweer heel dure winkel. Echter wat wij willen hebben voor de boiler is uitverkocht. We informeren waar we het wél zouden kunnen kopen.

‘Daarvoor moeten u tachtig kilometer verderop zijn in de grote stad, Villeneuve. Daar zit ook de Carrefour, de Castorama, de Mr. Bricolage en noem maar op’, legt de winkeleigenaar uit.

‘Is er dichterbij dan geen groter filiaal van Kinkajerie?’ vraag ik de man.

‘Ik heb geen ander filiaal’, zegt hij verbaasd.

Omdat ik hem niet helemaal begrijp, of hij mij niet, laat ik het maar zitten en reken af. We gaan zelf wel verder zoeken. Ik loop langs de pannen, serviezen en glazen naar buiten en kijk nog eens naar het logo van de winkel. Quincaillerie staat er op de gevel. Dat is dus het misverstand. Het woordenboek bevestigt het nog eens: quincaillerie [kînkajri] (v.) ijzerwarenwinkel.

 

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven