Feuilleton – 39 – Du vin, du pain, du pindakaas : Daar kraait geen haan naar

| Geen reacties

Ni vu, ni connu

Daar kraait geen haan naar

In het diepst van de nacht komen we bij de Franse grens aan. ‘Langzaam rijden’, geven de borden aan, nog langzamer naar dertig kilometer per uur. Zien we er verdacht uit? De slagbomen zijn open. De hokjes lijken leeg. Ik knijp hem als een ouwe dief. Niet helemaal terecht, want de paarden zijn netjes gechipt, hebben een paspoort en qua MKZ zou er niets aan de hand moeten zijn, maar je weet het maar nooit. Die schaduw daar? Is dat een douanebeambte? Gelukkig, er is niemand en we rijden zonder problemen door. Bienvenue en France worden we welkom geheten door een bord. We zijn het al vele keren gepasseerd het afgelopen jaar, maar nu krijgt het ineens betekenis.

Vroeg in de ochtend draaien we het erf van ons nieuwe huis op. Waren we er nog pas in maart? Het voelt jaren geleden. Per seizoen ziet het er zo anders uit. We zetten de paarden op stal, maken provisorisch bedden voor de vrienden, en gaan allemaal slapen tot de vrachtwagen komt.

En dan, als het gevaarte komt kan hij, hoe kan het ook anders, de draai het erf op niet maken. Déjà vu. Dit keer hebben we veel minder handen om te helpen, geen extra bestelbus en moeten we iedere doos bergopwaarts sjouwen over een eeuwenoud hobbelig karrenspoor dat modderig is vanwege aanhoudende regen. Vijftig meters die steeds langer lijken te worden. Niet grappig. De Land Rover en kruiwagens bieden uitkomst. Gelukkig hoeft het niet in een dag af, want de chauffeur heeft pas op woensdag een rit terug naar Nederland en hij moet toch ergens zijn tijd besteden, dus waarom ons niet helpen. Het grootste dilemma vormt de piano en een paar grote antieke kasten. De kasten binden we heel creatief op twee kruiwagens aan elkaar. Het zwiebert en zwabbert maar komt heelhuids binnen.

De piano is te zwaar om die truc te doen. We proberen het met banden om de schouders zoals echte verhuizers dit doen. Nou, daar moeten we nog maar eens een cursusje in volgen, want de sterke mannen krijgen hem zo niet van de grond. Grote plantentrolleys. Dat moet het zijn. We krijgen het ding erop. Maar nu? Naar boven duwen. De wieltjes lopen acuut vast in de modder en de keitjes. Harder duwen. Wij dames op de knieën in de blub om de wieltjes met koevoeten te begeleiden over de hobbels. Een droge knak. Een van de plastic wieltjes breekt en trolley plus piano beginnen gevaarlijk over te hellen. Paniek, als één man rennen we met zijn vijven tegelijk naar de hellende hoek en weten hem overeind te houden en weer in evenwicht te brengen. Moest het ding echt mee? We leggen planken neer voor de trolleys. Nu als een soort Egyptenaren rijden de mannen de piano en Eef en ik verplaatsen de planken snel van achter naar voren als ze ‘op’ zijn. Het lijkt wel Sterrenslag. Te langzaam kruipen we voort en na zwoegen en foeteren, besluiten we hem in de paardentrailer te duwen en de laatste tientallen meters zo te vervoeren. Staan we eindelijk in het huis, blijkt dat het zware ‘lijk’ binnen in huis een draai niet kan halen, zonder eerst de net naar binnengebrachte meubelen te moeten verwijderen. Wat een klucht. Piano weer naar buiten, diverse meubels eruit, piano grotendeels gedemonteerd weer naar binnen, meubels buiten nat want een regenbui barst los, dus meubels snel het huis weer in. Net als we in de regen aan een bankstel staan te sjorren, horen we binnen een verschrikkelijke klap gevolgd door glasgerinkel. Als we ons in de gang langs alle meubels de kamer in wringen, zien we een enorme ravage van gebroken glas. Temidden van de resten van wat eens een glazen eettafel was, kijkt een schuldbewuste Gino ons met de staart tussen de poten en met grote ogen aan. Hij was kennelijk op de tafel gesprongen om ons gestuntel met de piano beter te kunnen zien. Tja, hij snapt niet dat glasplaten niet bedoeld zijn om op te zitten. Heb je met veel moeite de hele reis die glazen tafel heel gehouden en dan dit. Wonder boven wonder heeft de hond zelf niets. En dan is er wijn. Veel wijn.

‘Ze doen het!’

‘Nee, echt?’ vraag ik stomverbaasd door de telefoon aan de makelaar.

‘Ja, als jullie van de week terugkomen, kunnen we het voorlopige koopcontract opmaken en tekenen.’

In mijn enthousiasme smijt ik de hoorn op de haak zonder te bedanken en race naar buiten op zoek naar Erik, daarbij Eef zowat omverlopend.

‘Erik, ERIK! We hebben een koper!’

Hij komt met Evert uit de schuur rennen.

‘Die lui die gisteren voor het huis zijn wezen kijken, doen het!’

‘Zomaar ineens?’

‘Te gek hè? Als we de andere dieren ophalen kunnen we het voorlopige koopcontract tekenen. Met een beetje mazzel is dan de verkoop rond op een augustus!’

Een paar dagen later zijn we weer in Nederland. Ook weer gek, dat we nu naar een huis rijden dat bijna niet meer van ons is. De makelaar wacht ons al op om de handtekeningen te verzamelen. We lenen zijn sleutel, om binnen een nachtje te kunnen logeren. Best afzien, in slaapzakken op de grond. Morgennacht zullen we met Evert voor de laatste keer dit huis verlaten.

Het is nog een hele klus om de zeven geiten en zwijntjes ingeladen te krijgen. In onze trailer hebben we hokjes gemaakt zodat iedere geit apart in een eigen vakje kan staan. Dit om te voorkomen dat ze elkaar in hun stress verwonden met de horens. Een paar uur van tevoren geef ik de dieren valiumdruppels op een lekker broodje. Stress kan ze fataal worden.

Zo ook bij de varkens. Die lokken we met voer de trailer van Evert in. En hoewel we met hen de meeste moeilijkheden hadden verwacht, hobbelen ze zo naar binnen.

We mesten voor de laatste keer de stallen uit. Rond tien uur zaterdagavond, zonder uitzwaaiers en tranen dit keer, gaan we rijden. Zo vlak na de MKZ lijkt het ons nogal op te vallen om met twee trailers tegelijk de grenzen te passeren, dus besluiten we gescheiden bij Lille de grens België-Frankrijk over te gaan. Omdat een bestuurder verantwoordelijk gesteld kan worden voor het vervoeren van illegale dieren, zullen Erik en ik de auto’s rijden. Vlak voor de grens neemt Erik het stuur van Evert over. Ik zal de grens als eerste passeren en de parkeerplaats na de grens pakken om daar tien minuten op de mannen te wachten. Met onze mobieltjes zullen we contact houden.

Ik passeer zonder problemen de grens en vind de parkeerplaats. Al langs de afrit staan de vrachtwagens geparkeerd. Dat belooft een volle parkeerplaats. Hopen maar dat ik een plekje kan vinden. In het donker rijd ik de parkeerplaats op. Voorzichtig manoeuvreer ik met wagen en trailer langs de vrachtwagens, die niet alleen in de parkeervakken staan. Ik rijd drie rondjes maar kan geen plek vinden. Uiteindelijk zet ik hem met alarmlichten aan, dwars voor een rij wagens. Het is behoorlijk donker doordat de vrachtwagens het licht van de lantaarnpalen tegenhouden. Ineens voel ik me weerloos, zo als vrouw alleen. Ik moet naar het toilet, maar durf niet. Ik wil naar de dieren kijken hoe ze het maken, maar ook dat durf ik niet. Controleer nog eens of de deuren wel goed afgesloten zijn. Ik schrik me rot als een vrachtwagen naast me ineens hard begint te zoemen. Waarom zit Evert eigenlijk bij Erik in de auto? Had hij niet beter bij mij kunnen zijn? En wat duurt wachten dan lang. Na de afgesproken tien minuten bel ik Erik. Ik krijg Evert aan de lijn.

‘Met mij, zijn jullie er al bijna?’

‘Denk het wel, we zullen zo wel het bord voor jouw parkeerplaats zien.’

‘Hebben jullie nog naar de dieren gekeken?’

‘Ja, alles is goed met ze.’

‘Tot zo dan maar’, besluit ik het gesprek.

Een poosje later bel ik ze weer.

‘Waar blijven jullie nou?’ roep ik nijdig.

‘We moeten er echt zo zijn’, zegt Evert.

‘Zitten jullie wel op de goede snelweg?’ vraag ik voor de grap.

‘Ja tuurlijk, gewoon borden Parijs gevolgd. Wij zitten op de A22.’

‘NEE! Dat is lekker handig, goochemerd. Je moet de A17 hebben, dat hadden we toch afgesproken!’

‘Shit, echt waar?’

Geïrriteerde consternatie volgt en de mannen zullen de eerstvolgende afslag nemen en keren. Na tien minuten gaat mijn gsm.

‘Duurt nog wel een poosje’, klinkt Everts stem. ‘De afslag die wij namen, leidde weer naar een andere snelweg. Dus daar ook weer eraf en weer erop, en nu zitten we weer op de goeie foute route, zeg maar. Nog een afslag en dan zitten we op jouw snelweg.’

Nog langer op deze unheimische parkeerplaats. Kan ik iets doen waardoor het lijkt alsof ik er niet ben? Zal ik in de trailer gaan zitten bij de dieren. Nee, ik wil hun rust niet verstoren. Ik zak zo ver mogelijk onderuit. Op dat moment zie ik in mijn buitenspiegel een grote ongure man mijn auto van achteren benaderen. Hij heeft natuurlijk gezien dat er een vrouw alleen in deze auto zit! Er schiet van alles door me heen, ik zit verstijfd, durf niet te bewegen. Stiekem druk ik naast de stoel op de herhaalknop van mijn gsm. Een seconde later zie ik in de buitenspiegel alleen nog maar een uitpuilende geruite buik over een broekriem. Een driehoekje blote behaarde buik net even boven de broekriem. Een hand die naar een gulp gaat…

‘Wat-isser nou weer?’ hoor ik Evert uit het mobieltje vanaf de grond.

‘O, gelukkig hij moet alleen maar plassen’, verzucht ik, de chauffeur nakijkend die uitgerekend wijdbeens voor mijn auto gaat staan.

‘Wat?’ roept de stem uit de gsm.

Ik ontwaak uit mijn verstijving en pak de gsm: ‘Niets, alles is goed, tot zo.’

Als ze eindelijk arriveren zijn we drie kwartier verder. De dieren zijn gelukkig allemaal rustig en na een bak wakkerhoudkoffie gaan we weer verder.

Inmiddels wordt het weer steeds slechter. Het water stort met bakken tegelijk uit de hemel en vlak voor Parijs lezen we op de elektronische borden dat de snelweg is afgesloten wegens overstroming! Omleiding via Amiens. Geen idee waar het ligt, maar er zit niets anders op dan de omleiding te volgen. Na ruim een uur zitten we in Versailles en geen bord déviation meer te vinden. We toeren wat rond, ergeren ons aan de onduidelijke Franse wegbewijzering waarbij het ons vaak niet duidelijk is of ze nu rechtdoor of rechtsaf bedoelen en de communicatie via de mobieltjes viert hoogtij. Maar geen van allen weten we waar we zitten en een kaart van Parijs hebben we ook niet. Als we voor de derde keer over hetzelfde plein rijden, zijn we het zat. We zien nog meer vertwijfelde Nederlanders stilstaan die ons op de snelweg voorbijgekomen zijn en ik besluit maar eens te gaan vragen. Ook hier geïrriteerde mensen op dit vroege zondagochtenduur. Niemand weet waar we zijn. Niemand snapt waarom je, als je de borden Bordeaux volgt, in een kringetje om Parijs blijft rijden en vooral niet hoe we deze vicieuze cirkel kunnen doorbreken. Mensen uit een andere auto die zich ook bij het gesprek voegen, wijzen ons erop dat je met een trailer niet op de binnenste périphérie, de rondweg van Parijs mag komen. Nee, dit stelt echt gerust.

Het enige wat ik weet te doen om uit deze endless loop te komen, is naar de Eiffeltoren te rijden en vanaf daar de borden Parijs uit te volgen. La gendarmerie werkt op zondagochtend vroeg gelukkig niet en zo hebben we toch nog sightseeing gedaan. Het snode plan lukt en met een vertraging van nu bijna drie uur zitten we eindelijk weer op de goede snelweg.

Als we rond tienen ergens moeten tanken, vindt onze haan het tijd worden om te kraaien. Ondanks dat hij in een afgesloten donkere doos zit, zegt zijn bioritme dat het nu wel tijd is om wakker te worden. Het valium bij de geiten is allang uitgewerkt en ze reageren mekkerend op zijn gekraai. De zwijnen worden ook onrustig en krijgen ruzie in de trailer wat uitdraait op een enorm gegil dat door merg en been gaat. Er is op het drukke tankplein niemand die op dit moment niet naar ons kijkt. Vlug reken ik de beide rekeningen af en we weten niet hoe snel we met deze rijdende kakofonie van dierengeluiden weg moeten komen.

Gelukkig krijgen we ook nog een lekke band en uiteindelijk komen we ruim vijf uur later dan gepland, na een rit van achttien uur, veilig aan in Charmes. In La Ferme Blanche bij ons huis dat nu écht thuis is.

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven