Feuilleton – 32 – Du vin, du pain, du pindakaas : Zo koppig als een ezel

| Geen reacties

Etre têtu comme une mule

Zo koppig als een ezel

Op zaterdag arriveren Eriks broer Mikel en zijn vrouw Marja. Ze zullen eerste kerstdag bij ons vieren en op de Nederlandse tweede kerstdag, naar huis rijden. Ze zijn de eerste van de familie en vrienden die ons nieuwe huis zien en vinden het gelijk helemaal goed. Vooral de ruimte blijft verbazen. De vijf hectare heuvel is letterlijk adembenemend. Volgens hen kun je in de schuren hun hele straat kwijt. We glimmen van oor tot oor.

Op eerste kerstdag zijn we door een stel Nederlanders, dat we in de bar ontmoet hebben, uitgenodigd voor een feestje. In vol kerstornaat stappen we in de auto. Mikel achter het stuur, hoe vaak krijg je nu de kans een ouwe Land Rover te rijden, Erik en Marja op de voorbank en ik achter in het kattenbakkie. We nemen een korte weg via een onverhard pad. Althans dat was de bedoeling. Het is kennelijk nog niet heel lang zulk mooi weer, want het pad is allesbehalve droog. Voor ons strekken tientallen meters modderbad zich uit, doorgroefd met diepe bandensporen van dappere voorgangers.

‘Is dat nou wel verstandig?’ vraag ik voorzichtig, omdat ik het plezier van de stoere coureurs niet wil bederven.

‘Gewoon gas erop houden Mikel en gaan met die banaan’, instrueert Erik zijn broer. ‘Voor de Land Rover moet het een makkie zijn.’

Helaas wordt alle blubber de oude wagen te veel. Na wat enge slipgeluiden in de bagger staan we stil. De banden slippen als waanzinnigen en Erik wisselt met zijn broer van plek om het zelf eens te proberen. Vele mislukte pogingen heen en weer steken volgen, maar we kunnen niet meer voor- of achteruit. Moedeloos kijkt Erik van zijn nieuwe spijkerbroek naar buiten, waar de blubber tot halverwege de wielen staat. Er zit toch niets anders op. Hij stapt uit en ik hoor hem soppend en pruttelend in de modder zakken. Door de blubber wadend zoekt hij bij de zijkant van het pad een paar takken. Hij steekt de stokken onder de wielen, stapt weer in, probeert weg te rijden, maar we blijven slippen. Stokken, nu áchter de banden in een poging achteruit het terrein te verlaten, zijn ook nutteloos.

‘Jullie moeten eruit.’

‘Ja, lekker, echt niet!’ roept Marja.

‘Dan zijn we lichter en kan ik hem er misschien zo uit rijden’, probeert Erik ons te overtuigen.

‘Ik dacht juist dat meer gewicht, meer grip gaf’, protesteer ik. ‘Staat-ie wel in de vierwielaandrijving?’

‘Ha ha, wat zijn we weer lollig. Ik leg de automatten wel buiten en dan kunnen jullie er overheen lopen’, zegt Erik daad bij woord voegend en hij legt een mooi mattenpad naar de zijkant van de blubberweg.

Marja laat zich voorzichtig uit de Land Rover zakken en met een sprongetje landt ze op de eerste mat. Deze klapt dubbel onder haar gewicht, en mat met Marja en haar nieuwe pumps zakken in een innige omhelzing de blubber in. Gillend springt ze naar de volgende mat, waar haar eenzelfde ervaring te wachten staat en tot overmaat van ramp verliest ze bij de laatste reddende sprong naar de uitgestrekte hand van Erik haar rechterschoen.

Ik kan een giechelbui niet onderdrukken en als Erik mij even later, om me eenzelfde lot te besparen, galant uit de auto naar de zijkant draagt, wissen we ons allemaal de tranen van het lachen uit de ogen.

‘Wat nu?’ vraag ik nog nasnikkend.

‘Misschien kunnen we proberen hem er met de sleepkabel uit te trekken.’

Voor de vorm wagen we een poging, maar wat zijn nou vier mensen tegen dertienhonderd kilo in de blubber vastgezogen staal?

‘Goed, dat wordt dus lopen naar huis’, merkt Mikel nuchter op.

‘Kunnen we niet bij die boerderij waar we daarstraks langskwamen om hulp vragen?’ oppert Marja, terwijl ze haar met klonten bemodderde pumps provisorisch afspoelt in een blubberplas. ‘Die hebben vast wel een tractor.’

‘Op kerstdag, bij mensen aankloppen, is dat niet asociaal?’ vraagt Mikel.

‘Ach, dan geven we die mensen de kans een goeie daad te doen op kerst, prachtig toch?’ merkt Erik nuchter op.

We komen bij de boerderij aan en voor de deur staat een afgetrapte Peugeot. De geweren voor de kerstjacht van de afgelopen dagen liggen er nog in. We kloppen op een raam en de boer komt, gevolgd door drie zonen, naar buiten. Of we hebben hier te maken met de Franse Daltons of het kopieerapparaat is aan blijven staan, want behalve de leeftijd onderling verschillende de mannen niets.

We excuseren ons uitputtend, maar het is geen probleem vader en zoons willen ons wel helpen. Als we uitleggen dat er wel een tractor nodig is, willen ze eerst de situatie ter plekke bekijken. Erik en ik stappen met moeite bij hen in de volle auto, Mikel en Marja zullen teruglopen naar de onheilsplek. De personenauto kan natuurlijk niet over het blubberpad, dus dan maar erlangs dwars door de struiken! De takken schrapen piepend over de lak. Nu is het een ouwe bak maar ik schaam me rot, dat we die mensen zo in de problemen brengen.

Aangekomen bij de Land Rover gaan ze met lange touwen aan de gang, maar ook zij kunnen de wagen niet vlot trekken.

‘Maar hoe kan un quatre-quatre, een terreinwagen nu zo vastzitten? Dat is toch niet mogelijk?’

‘Nee, dat dachten wij ook’, antwoordt Erik nuchter.

De vader tilt zijn pet op en krabt met de pet in zijn hand eens nadenkend op zijn bijna kale hoofd. ‘Er moet iets anders mis zijn’, constateert hij. ‘U hebt hem toch wel in la traction intégrale, vierwielaandrijving staan?’

Bien sûr!’ zegt Erik verontwaardigd.

De man stapt in de terreinwagen, start hem, rommelt aan de vierwieldrivepoken en… rijdt zo uit de bagger weg!

Joyeux Noël!

Deze pijnlijke nederlaag kan Erik een beetje goedmaken door even later de boeren vlot te trekken nadat ook zij toch in de blubber stranden. Thuis verwisselen we van kleren, rijden nog even om langs de boer om een fles whisky te brengen, om vervolgens met het beste excuus ooit te laat te komen op een kerstfeest. Na zoiets heb je wel een echt kerstverhaal…

 

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven