Feuilleton – 6 – Du vin, du pain, du pindakaas: Het zwarte schaap

| Geen reacties

La brebis galeuse
Het zwarte schaap

Het is eind mei en voor de derde keer gaan we naar Frankrijk. Dit keer blijven we een hele week in ons huis in plaats van een lang weekend. Nou ja, ‘ons’ huis, het koopcontract is nog steeds niet rond, net zo min als de SCI, maar wat kan er fout gaan? Net zoals vorige keer slepen we de aanhanger vol met in Nederland overbodig geworden huisraad van onszelf en van familie naar het zuiden. Ook het dure houtwormmiddel, een flacon zo groot als een bierflesje, dat we na lang zoeken hebben kunnen kopen, gaat mee. Onze oude Land Rover stouwen we vol met oud (tuin)gereedschap. Mooi excuus om van alle gereedschappen een nieuw exemplaar voor in Nederland te kopen. De aanhanger zal net als vorige keer, even zo vol weer mee teruggaan naar huis. Met zakken gevuld met troep, waarvan we daar nog niet weten waar we het kunnen dumpen. Want wat is er veel oud vuil! Opruimen, sorteren, organiseren, uitzoeken wat nog bruikbaar is en maaien. Vooral veel maaien. Dit keer zou het beter moeten zijn, want buurman heeft aangeboden zijn schapen ons erf kaal te laten grazen. Graag natuurlijk. Als we doorgeven wanneer we komen, zorgt hij dat ze weer weg zijn.
We draaien ‘ons’ weggetje op. De heerlijke spanning van aankomst en hoe je het huis aantreft giert door mijn buik. We openen ‘ons’ antieke hek. Goed aan die ene lat vasthouden anders dondert het in elkaar. We lopen ‘ons’ erf op, kijken naar ‘ons’ uitzicht. Apetrots. We stappen het huisje binnen. Die bekende beetje muffe oudehuizengeur, vermengd met de geur van gerookte ham door de gesmolten teer aan de binnenkant van de schoorsteen, verwelkomt ons. Onze toffels staan te wachten. Het huisje voelt zo goed, het past ons als een handschoen. We komen thuis.

We maken een verkenningsrondje. De zomer is duidelijk in aantocht. Langzaam droogt de aarde en scheurt de klei. We lopen ieder naar onze favoriete plek. Voor Erik en onze honden Rocky en Gino, de heuvel. Voor mij de schuren met al zijn geheimzinnige leven, dat piept en fladdert. Ik ben benieuwd of er zwaluwen zijn die al eitjes of zelfs jonkies hebben. Op de telefoondraden hoor ik de volwassen zwaluwen gezellig kwetteren en kletsen. Omdat de plafondbalken van deze schuur zo laag zijn, kan ik met mijn vingers in de kunstig gemetselde mandjes. Ik voel vier schattige piepkleine eitjes. Verdiept in mijn eigen gedachten en genietend van de idylle stap ik dieper het oude geitenhok in. Omhoog speurend loop ik verder. Dan ben ik gesignaleerd. Als een ware stuntvlieger komt een zwaluw aanscheren en voert een luchtaanval uit. Ik duik weg. Mijn voet stoot tegen iets aan. Ik kan mijn evenwicht niet meer bewaren. Struikel met mijn handen naar voren. Val over iets heen in de schapenmest. Lig half op iets zachts. Het veert, nee, blubbert mee. Ik kijk om. Zwarte ogen. Ik schrik me helemaal te pletter. Witte kop. Blootgetrokken rij ondertanden. Grijnzende open bek. Een dood schaap! Nou ben ik niet zo’n tutje, maar een gil kan ik dit keer toch niet onderdrukken. Erik komt aanrennen en samen staan we ons te verbazen. De andere schapen zijn er niet, dus buurman heeft zijn dieren wel opgehaald vandaag. Zou hij deze niet gemist hebben? Het dier kan niet lang dood zijn, want het stinkt nog niet zo erg.
Van de schrik bekomen, bel ik met mijn gsm de buurman over zijn dooie ooi: ‘Il y a une brebis mort dans mon étable.’ Vorige keer heb ik namelijk geleerd dat mouton weliswaar schaap is, maar dat een Fransman eigenlijk voornamelijk vrouwtjesschapen houdt en dus over zijn vrouwen, zijn brebis praat. Schapenkaas is ook ‘une brebis’.
‘Nee hoor, er ligt geen dooie ooi in uw stal’, zegt de buurman doodleuk.

Ik voel de bui al hangen, er is iets met dat vieze beest. Zitten wij straks met een lijk opgescheept. Zou dit moederdier gestorven zijn tijdens een bevalling of zo? Haar uier is zo dik. Nee, ze heeft vast een ziekte, anders hadden ze haar wel meegenomen om op te eten.
‘Maar ik kom hem wel halen’, klinkt het door de hoorn.
Een pak van mijn hart als een kleine tien minuten later de buurman met zijn geel Renaultje-bestel komt aanrijden. Hij heeft zijn vrouw meegenomen en na het handenschudden beginnen ze een praatje. Ik had liever gezien dat ze gelijk het dooie beest meenamen, maar zo werkt dat niet in Frankrijk. Eerst over koetjes en kalfjes praten en in dit geval de rest van de veestapel vermijden. Aangezien we nog maar net zijn aangekomen, kan ik ze alleen iets te drinken uit de koelbox aanbieden. Beleefdheidshalve weigeren ze twee keer, als ik even zoveel keer beleefd aandring. De derde keer gaan ze overstag en zelfs mevrouw neemt een bekertje jus d’orange. Ik verontschuldig me dat ik geen wijn heb, maar het is goed zo.
In de al hete meizon staan we op het erf te praten. Na een goed kwartier gooi ik voorzichtig de ooi maar weer eens in de conversatie.

‘Het is geen ooi,’ zegt de buurman, ‘het is un mouton.’
Nou dat weer, dacht ik het goed onthouden te hebben… Maar eh, whatever buurman, haal alsjeblieft dat vieze ding uit mijn stal. Daar aangekomen wijst hij op het schaap en zegt: ‘C’est un bélier.’ Boven het toch wel geurende lijk krijgen we Franse- en biologieles. Brebis is ooi, en bélier is ram. Het ding dat ik voor een volle uier had aangezien, waren zijn kloten!
Ze lachen hartelijk om onze onwetendheid en met zijn vieren pakken we ieder een poot. Loodzwaar dood gewicht. De kop knakt droevig naar onderen. Wij slepen puffend en zij vooral transpirerend, het stinkende dier naar hun Renaultje. Als buurman de achterdeur opendoet, slaat een walmende hitte ons tegemoet. Hierbij ruikt het schaap prettig. Het autootje heeft in de zon denk ik kooktemperaturen bereikt. We pakken allemaal weer een poot en jonassen het lijk de auto in. Als ik opkijk van mijn taak, schrik ik me die dag voor de tweede keer een ongeluk. Vanuit de auto kijken groteske ogen achter een jampotbril me aan. Een oud heksje, minstens honderd jaar oud. Armoedige bevuilde kleding. Verwilderd haar. Met een kakelend geluid toont ze een prachtige lach met nog maar twee tanden onder en eentje boven. Vuile plekken in haar kleding doen vermoeden dat ze de wc regelmatig niet meer op tijd haalt. De stank uit de auto komt ongetwijfeld bij haar vandaan.
‘Maar…’ stamel ik stomverbaasd, ‘heeft zij in de bakkende zon hier al die tijd gezeten? Moet zij niet iets drinken? Dat schaap kan toch niet bij haar? Moet ze er niet uit?’
‘Pas de problème, c’est maman…’

_____________________________

Kijk hier voor alle afleveringen 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven