De noodzaak van bildung

| Geen reacties

door Joep Dohmen.

 

‘Er is in de afgelopen decennia iets veranderd in het lezen, het luisteren en het kijken van de meeste mensen. Ik ben opgegroeid met het idee dat je een boek las, naar muziek luisterde, een schilderij bekeek, niet zomaar voor je plezier, maar omdat je er beter van zou kunnen worden. Ik deed dat alles helemaal niet tegen mijn zin, want aan het besef dat ik er beter van zou worden, beleefde ik een enorm plezier.

Heel veel mensen dachten er net zo over, en als ze er niet over dachten, deden ze vaak alsof. Dat kwam omdat in de twintigste eeuw alle kerken en partijen, de bonden en de bladen ervan uitgingen dat de mensen verheven moesten worden, op een hoger plan getild. Hoe ze dan wel opgetild moesten worden, welke kant op en hoe hoog, daarover liepen de meningen faliekant uiteen. Maar al dat meningsverschil onttrok aan het oog dat ze allemaal streefden naar de verheffing van hun aanhang. En stuk voor stuk hadden ze een stellig idee hoe hun achterban te verheffen, waren ze overtuigd van hun gelijk, en benaderden ze hun volgelingen met gezag. Dat gold voor communisten evengoed als voor katholieken, voor calvinisten  evenzeer als voor socialisten. Het gold zelfs voor de woeste rebelse provo’s, die ervan overtuigd waren dat ze het ‘klootjesvolk’ konden verlichten met een combinatie van anarchie en artisticiteit.

Haast al die bewegingen zijn uiteengevallen, de idealen zijn vervlogen en het morele gezag is verkruimeld. De verheffing heeft het veld moeten ruimen voor de verleiding. De meeste mensen kijken of lezen of luisteren meestentijds niet omdat ze iets willen leren, of desnoods willen afleren, omdat ze zich in iets willen verdiepen of naar iets hogers streven, maar omdat ze zich willen vermaken. Ze willen nu meteen en moeiteloos iets leuks meemaken.’ (Abraham de Swaan, NRC 19 october 2012)

Volgens de emeritus socioloog Abraham de Swaan wilde in de 20e eeuw iedereen nog de mens verheffen, in elk geval de eigen aanhang, maar dat is voorbij want de meeste mensen willen voortaan liever instant genot. Misschien valt zo’n geluid wel juist in de herfst, samen met de herfstbladeren, want precies een jaar eerder verscheen het boek Dikker en platter, een tijdsbeeld van journalist H.J.A. Hofland en fotograaf Roel Visser ( 5 oktober 2011).  Wat horen we van de grote cultuurwatcher Henk Hofland?

Sinds ongeveer een halve eeuw komt volgens Hofland in de westerse beschaving een nieuwe mens tot ontwikkeling. Het is nog altijd een wezen met hoofd,  hart en ledematen, dat zijn werk doet en zijn geld wil verdienen. De algemeen gedeelde nieuwe materiële voorspoed, waarin alle lagen van de bevolking sinds enkele decennia delen, is de grondslag geworden voor een nieuwe, ongeschreven ideologie: die van het consumentisme. Deze gesel, want dat is het volgens Hofland, werkt een groeiende ongelijkheid in de hand en heeft een corrumperende werking tot diep in de economie en de politiek, en uiteindelijk op het hele aanzien van de samenleving. Hoflands ziet dus het ontstaan van een nieuw type mens. Hij (of zij)  is grof en vaak erg dik. Hij of zij wordt vaak etend,  drinkend, pratend en rokend op straat aange­troffen. Hij neemt veel ruimte in. Hij is vaak getatoeëerd. Hij lapt de verkeersregels aan zijn laars. Hij heeft een kort lontje.  Hij slaat er meteen op los als iets hem niet bevalt of als hij zijn zin niet meteen krijgt. Mijn collega hoogleraar Harry Kunneman sprak al in 2007 van  “het dikke ik“ , ter aanduiding van de snel groeiende klasse van zelfgerichte en zelfingenomen lieden! (Kunneman, 2005)

Consumentisme is dus de nieuwe ideologie. Het nieuwe universele gebod is: gij zult genieten! Gij zult gelukkig zijn! We stuiten op een nieuwe moraal in de vorm van een hedonisme waarin geluk eerst en vooral als een reeks prettige sensaties en ervaringen wordt opgevat. Het wezenskenmerk van de nieuwe mens die zich door actief tot het consumentisme heeft bekeerd is: een oeverloze begeerte naar alles wat onder de noemer ‘leuk en lekker’ valt. Wat hem ook maar als begerenswaardig voorkomt, zal hij hoe dan ook meteen in zijn bezit willen krijgen, van een hamburger tot een landhuis. Begeren in het algemeen veroorzaakt een bewustzijns­ver­nauwing. Hofland toont zich daar ontzet over, precies als De Swaan een jaar later. Hofland ontdekt ‘de collectieve overtuiging … dat iedere sterveling het fundamentele recht heeft op alles was het begeren waard is.‘

Een jaar vóór Hofland, ook alweer in de herfst, verscheen van mijn hand het boek Brief aan een middelmatige man (Dohmen, 2010). Daarin schreef ik, geheel in lijn met mijn beide illustere voorgangers maar misschien net wat fundamenteler:

‘De afgelopen decennia zijn we in een nieuwe, posttraditionele samenleving  terechtgekomen waarin traditie, religie en moraal steeds meer zijn geërodeerd door de opkomst van de markt, van weten­schap en techniek, en de invloed van de media. De klassieke gemeenschaps­vormen zijn vervangen door een massamaatschappij waarin mensen structureel geïndividualiseerd worden en ieder voor zich een eigen levensstijl moet voeren.  Van de richtlijnen voor een goed eigen leven heeft intussen niemand bericht gekregen. We hebben geen flauw idee wat dat is, een eigen houding of levensstijl, en bij gebrek daaraan vlucht menigeen in een commerciëlelifestyle.

Net als vele anderen heb ik de afgelopen jaren een toenemend onbehagen gevoeld bij al die succesverhalen van mensen die de zin van hun bestaan uitdrukken in termen van materieel bezit, aandelen, geld en onroerend goed, van villa’s, hummers, cruise­schepen en privé-jets. Voor deze poenerige stijl van leven krijgen ze alle aandacht en erken­ning in de door henzelf gefinancierde commerciële media. Hun ‘zorgeloze’ leven van succes en plezier wordt als de best mogelijke van alle levens opgevoerd. Tegelijkertijd blijkt een andere, steeds grotere groep mensen slecht opgewassen tegen de eis van autonome zelf­beschikking. Deze mensen blijken nauwelijks in staat om voortdurend zelf de juiste  keuzes te maken en zich te handhaven in de ratrace om de beste plaatsen. Ze raken in een depressie en worden vervolgens gemedicaliseerd. Hun leven wordt bedreigd door een ‘biografische ineenstorting’.  Tussen beide groepen in probeert ‘de gewone burger’ zo goed en zo kwaad hij kan om zich te handhaven.  Er bestaan weinig algemeen gedeelde voorstellingen en ideeën over hoe moderne individuen in een massamaatschappij met elkaar een zinvolle samenleving kunnen vormen.’ (Dohmen, 2010)

Ook ik vind dat de traditionele programma’s van morele educatie (lees: verbetering) vervangen zijn door het dictaat van de markt, door hedonisme en consumentisme, en dat alles geleid door de neoliberale ideologie van vrijheid, blijheid.

Wat is hier aan de hand? Een socioloog, een literator en een filosoof maken cultuurpessimistische geluiden. Zo te horen gaat het om drie oude mannelijke knorrepotten die een herfstdip hebben. Dat zou zomaar kunnen. Maar natuurlijk is er wel wat meer aan de hand. Veel meer zelfs. Ik denk dat het van groot belang is om uit te zoeken wat precies. Want als het er in ons land niet meer om gaat om mensen te verbeteren, dan hebben al diegenen die hart hebben voor het onderwijs, een groot probleem. Wat is immers dan nog hun bestaansrecht, als het er niet meer om gaat om jonge mensen te helpen verbeteren?

In dit essay zal ik laten zien waar de huidige morele crisis volgens mij vandaan komt (I) en hoe die zich ook in de leefwereld van jongeren heeft genesteld (II). Daarna zal ik laten zien wat levenskunst is en hoe deze moraal een halt kan toeroepen aan het verval (III). Want dat is in mijn ogen het geval, wanneer het bestaan van mensen, ook van jonge mensen, gereduceerd wordt tot een belevenissen, lol en verveling. Ten slotte zal ik laten zien welke rol levenskunst voor jonge adolescenten zou kunnen spelen (IV). Ik zou het natuurlijk prachtig vinden als levenskunst een vak werd op school. Maar dat is niet mijn inzet. Ik zou liever zien dat levenskunst in het onderwijs door alle betrokkenen op eigen wijze in cultuur wordt gebracht.

Dit is niet meer (maar ook niet minder) dan een schets. De concrete uitwerking moet uiteraard door de betrokkenen in het onderwijs zelf worden uitgewerkt. Ik denk dat het kan en ik hoop dat het gebeurt.
.


Bron: Joep Dohmen


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven