1  Verkering vroeger en nu

| Geen reacties

1  Verkering vroeger en nu

Verkering is een ouderwets begrip. Tijdens de interviews die ik heb gehouden, werd het echter met twinkelende ogen en tegelijkertijd weemoed begrepen. ‘Dus als ik het goed begrijp wilt u verkering,’ zei ik wel eens als de geïnterviewde al enige tijd zat te graven naar nieuwe woorden met nog niet vertrouwde en onduidelijke inhoud. Het graven stopte onmiddellijk en we wisten van elkaar waar we het over hadden. Daarom wil ik u aan de hand van dit ouderwetse begrip uitleggen waar dit boek precies over gaat, en ook waar het daarin mijns inziens óm gaat.

In mijn jonge jaren werd er regelmatig gesproken over verkering willen, krijgen en hebben. Bert wilde verkering met Sonja, Henk kreeg verkering met Anneke en Piet had verkering met Jannie. Dat ‘willen’, ‘krijgen’ en ‘hebben’ van verkering was geenszins achteloos taalgebruik. Het drukte precies uit hoe het zat. Zo vertegenwoordigde ‘verkering willen’ een zeker verlangen en de wens om daaraan tegemoet te komen, gevolgd door de bereidheid zich daarvoor in te zetten en vooral er moeite voor te doen. ‘Verkering krijgen’, de volgende stap, hield een bepaalde mate van inzet in waarbij de kans op verwezenlijking erg dichtbij kwam. Tot slot ‘verkering hebben’: de wens was dankzij de moeite van de inzet werkelijkheid geworden.

De meeste mensen die nu 60 jaar en ouder zijn, kennen deze aanduidingen wel van vroeger. In het taalgebruik van nu wordt dit onderscheid gemakshalve niet meer gemaakt. Men spreekt nu immers vrijwel alleen nog maar over het wel of niet hebben van een relatie. Ik weet niet zo goed raad met dat woord, relatie. Het kan van alles of juist niets betekenen. Het is onduidelijk wat ermee bedoeld en gewenst wordt. Daarom gebruik ik deze term niet in dit boek.

Het willen, krijgen en hebben van verkering vormde namelijk een periode waarin jongens en meisjes lieten merken en vooral lieten zien dat ze beschikbaar waren, zich moeite getroostten én vol konden houden. Daar werd veel aandacht aan besteed. De zaterdagavonden in het dorp waar ik opgroeide stonden bekend als een openlijke huwelijksmarkt. Men slenterde vrolijk en mooi gekleed rond, was opgewonden en oplettend. Men ‘wilde’ in ieder geval verkering en men ‘kreeg’ het meestal ook, afhankelijk van de mate, de stijl en de kwaliteit van de inzet. Hieruit kwamen dan stelletjes voort die zich daarna niet meer op de markt lieten zien. Die ‘hadden’ verkering en waren niet meer beschikbaar. Ze zonderden zich af om een tijd alleen met z’n tweeën te zijn. De verkeringstijd was begonnen.

Als er niet al spoedig een kind werd verwekt, nam deze verkeringstijd korte of langere tijd in beslag. Kort wanneer de twee niet bij elkaar leken te passen of wanneer het aan volharding ontbrak, en langer wanneer men het goed met elkaar kon vinden. Als ook de ouders zich konden vinden in de keuze, volgde er een officiële verloving met een feestje. De aard van de betrekking was nu voor iedereen duidelijk.

Daarna werden er verdere en meer definitie plannen gemaakt die langere tijd nodig hadden om gerealiseerd te kunnen worden. De verkeringstijd was voorbij. Er brak een heel andere periode aan, namelijk die van de voorbereiding op het huwelijk in praktische zin. De uitzet werd bij elkaar gespaard, de opleiding afgemaakt en/of er werd een baan met enig perspectief verworven. En natuurlijk moest er een huis komen. Dat betekende – wegens de toen heersende woningnood – voor velen lang wachten. Er woonde bijvoorbeeld een jonge vrouw in ons dorp die mijn moeder hielp met kleding maken voor de kinderen. Zij is twaalf jaar verloofd geweest, en als ik het goed begrepen heb, heeft mijn vader voor haar en haar verloofde zijn aanzien in het dorp aangewend voor een woning voor hen.

 

Tot een verloving besluiten was bijna net zo belangrijk als gaan trouwen. Bijna. Het betekende dat het paar zich voornam om met elkaar een huwelijk aan te gaan, maar tijd nodig had om praktische zaken te realiseren en de omgeving de gelegenheid te geven bij te dragen. Ook de beide families maken dan uitgebreider kennis met elkaar.

De verkeringstijd was dus bij uitstek de periode van het spel van veroveren en je laten veroveren en spannende, al dan niet geheime afspraakjes tijdens de eerste tijd samen. In de verlovingstijd ging het kennismaken natuurlijk verder, maar de aandacht van beiden was meer gericht op concrete zaken. De verhouding werd bestendigd.

En dat is waar het hier, in dit boek, om gaat: een tijd van verkering hebben met elkaar in deze levensperiode is nog steeds van belang om tot een goede beslissing te kunnen komen. Die kan denk ik niet worden overgeslagen.

Dat wil zeggen dat men in deze periode de vrijheid heeft om ja of nee te zeggen als het gaat om zich te willen binden. Bij een ja wordt het individuele willen een willen-met-elkaar, een ‘ik wil met jou leven’. Als dit het geval is, overstijgt dit naar mijn mening het begrip relatie, omdat dan de betrekking die men met elkaar wil voor iedereen duidelijk is, in hoge mate overeenkomt en ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Men kan daarvan uitgaan en daar ook op aangesproken worden.

Het kwam bij de mensen die ik heb geïnterviewd trouwens niet vaak voor dat een verloving werd verbroken. Het gebeurde soms wel, maar dat was beslist erg. Als de verloving niet werd verbroken vanwege ‘een ander’, werd de kans op een nieuwe huwelijkskandidaat bovendien kleiner.

Ik durf te beweren dat een verkeringstijd nú van groter belang is omdat het tot ons doordringt dat de tijd die we hiervoor hebben beperkt is. Dat wil echter niet zeggen dat we er vaart achter moeten zetten. Dit kennismaken vergt nu eenmaal tijd. Men denkt weinig tijd te hebben voor iets wat veel tijd kost: een paradoxale situatie. Echter, als we ons van deze periode bewust zijn en we geduldig en geconcentreerd kijken en luisteren, en dat ook volhouden; als wij een beroep op ons laten doen en bereid zijn te gaan vertrouwen, dan dient zich de beslissing om je wel of niet aan de ander te binden vanzelf aan.

Maar wat houdt dat precies in, ‘geduldig en geconcentreerd kijken en luisteren’, ‘een beroep op je laten doen’ en ‘gaan vertrouwen’? We kunnen onszelf om te beginnen drie belangrijke vragen stellen voorafgaand aan het besluit een nieuwe partner te gaan zoeken:

 

  1. Waar verlang ik naar?
  2. Wat wil ik?
  3. Waar bestaat mijn inzet uit om dit te verwezenlijken?

 

Voordat we dat kunnen bepalen en verwoorden, is het nodig te begrijpen op welk verlangen ons willen is gebaseerd. En of dat willen redelijk is.

 

Sophie de Wijn

 

Teksten zijn ontleend aan de uitgave ‘Verkering na je zestigste’ (Uitgeverij SWP, Amsterdam)

 

 


Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.

*


Naar boven